# VMBO Economie Examen : álles wat je moet weten in één video van 2 uur (incl. rekenen!)

https://www.youtube.com/watch?v=uY8FaiYDXUc
Translation: en

[00:00] Hey allemaal, mijn naam is meneer Jansen
  Hey everyone, my name is Mr. Jansen

[00:02] Hey allemaal, mijn naam is meneer Jansen en ik ben jouw economiedocent in elk
  Hey everyone, my name is Mr. Jansen and I am your economics teacher in any case

[00:04] en ik ben jouw economiedocent in elk geval voor online.
  and I am your economics teacher in any case for online.

[00:06] En ik ga je proberen te helpen om te slagen.
  And I will try to help you succeed.

[00:08] En op veler verzoek maak ik deze video.
  And by popular request, I am making this video.

[00:11] Deze hele lange video.
  This whole long video.

[00:13] Waarschijnlijk de langste video en ook de meest fancy video die ik ooit heb gemaakt.
  Probably the longest video and also the fanciest video I have ever made.

[00:17] Ik ga namelijk de volledige examentraining geven voor het
  I am going to give the full exam training for the

[00:19] volledige examentraining geven voor het Vmbo en dan vooral voor gemengd
  full exam training for the Vmbo and then especially for mixed

[00:22] Vmbo en dan vooral voor gemengd theoretisch.
  Vmbo and then especially for mixed theoretical.

[00:24] Basiskader kan je er ook iets aan hebben.
  Basic framework you can also benefit from it.

[00:25] Andere niveaus kun je er iets aan hebben.
  Other levels you can benefit from it.

[00:27] Maar deze gaan we vooral behandelen.
  But we will mainly cover this one.

[00:30] Nou, als we dan even gaan kijken, we gaan wel vooraf wat afspraken maken.
  Well, if we take a look, we will make some agreements beforehand.

[00:32] Dit gaat een lange video worden.
  This is going to be a long video.

[00:34] Van tevoren weet ik niet hoe lang, maar dit zou zomaar langer dan een uur kunnen gaan duren.
  I don't know how long beforehand, but this could easily last longer than an hour.

[00:38] Dus pak je pennen en je papier erbij.
  So grab your pens and paper.

[00:40] Alleen luister heeft namelijk niet heel veel zin.
  Just listening is not very useful.

[00:45] Pak af en toe een pauze.
  Take a break now and then.

[00:48] Ga ik ook doen.
  I will do that too.

[00:50] Ik ga deze video namelijk opknippen in bepaalde delen.
  I am going to split this video into certain parts.

[00:52] En dus moet jij natuurlijk ook eens af en toe rust pakken, want je kan hier niet anderhalf uur naar blijven luisteren.
  And so you naturally also need to take a break now and then, because you cannot listen to this for an hour and a half.

[00:57] Je mag van mij wel onderwerpen skippen, maar ik probeer het zo grondig mogelijk uit te
  You can skip topics, but I will try to explain it as thoroughly as possible

[01:01] probeer het zo grondig mogelijk uit te leggen.
  Try to explain it as thoroughly as possible.

[01:03] Dus kijk vooral goed wat je kan leggen.
  So definitely look closely at what you can explain.

[01:03] Dus kijk vooral goed wat je kan skippen.
  So definitely look closely at what you can skip.

[01:06] In de beschrijving van deze skippen.
  In the description of this skip.

[01:06] In de beschrijving van deze video zet ik de titels.
  In the description of this video, I will put the titles.

[01:08] Daar staan ook precies bij wat ik ga uitleggen.
  It also states exactly what I am going to explain.

[01:10] Als je gaat skippen, kijk dan goed welk onderwerp dat je kan skippen.
  If you are going to skip, then look closely at which topic you can skip.

[01:14] Als je vragen hebt, mag je in de comments stellen.
  If you have questions, you can ask them in the comments.

[01:15] Ik probeer altijd binnen 24 of 48 uur te reageren, maar dat lukt niet altijd.
  I always try to respond within 24 or 48 hours, but that doesn't always work.

[01:22] Heb je opmerkingen over deze video?
  Do you have comments about this video?

[01:22] Gooi het in de comments.
  Put it in the comments.

[01:25] Heb je complimenten over deze video, gooi het in de comments en deel deze video samen met je klasgenoten.
  Do you have compliments about this video, put it in the comments and share this video with your classmates.

[01:28] En meer video's staan op mijn kanaal.
  And more videos are on my channel.

[01:31] We hebben economie in 5 minuten.
  We have economics in 5 minutes.

[01:33] We hebben examening.
  We have exam preparation.

[01:33] Maar dit gaat de grootste video worden waar ik alle onderwerpen ga behandelen.
  But this is going to be the biggest video where I cover all the topics.

[01:37] Het is helemaal gratis.
  It is completely free.

[01:40] Je hoeft er helemaal niks voor te betalen.
  You don't have to pay anything for it.

[01:41] Dat maakt het natuurlijk mooi.
  That makes it beautiful, of course.

[01:43] Dan zeg ik altijd: "Het is gratis, maar niet voor niks, want ik doe dit natuurlijk voor jou."
  Then I always say: "It's free, but not for nothing, because I'm doing this for you, of course."

[01:47] Laten we snel dadelijk gaan beginnen.
  Let's start quickly soon.

[01:49] Ik ga me ervoor klaarmaken.
  I will prepare myself for it.

[01:51] Hopelijk zit jij klaar om deze examentraining van Vmbo basiskader tot aan GT met mij te gaan doen.
  Hopefully, you are ready to do this exam training from Vmbo basic level up to GT with me.

[01:57] We gaan beginnen en ik hoop dat je
  We are going to start and I hope that you

[02:02] doen. We gaan beginnen en ik hoop dat je er helemaal klaar voor zit.
  We're going to start and I hope you're completely ready for it.

[02:04] Overigens is dit dezelfde video of bijna dezelfde video als bij de examenspreekuren, maar daar doen we maar een paar delen en in deze video doe ik alle delen.
  Incidentally, this is the same video or almost the same video as during the exam consultations, but there we only do a few parts and in this video I do all the parts.

[02:13] Nu is het natuurlijk zo dat er geen rechten onderlink kunnen worden aan deze video.
  Now, of course, it's the case that no rights can be linked to this video.

[02:17] Ik heb natuurlijk alles zo goed mogelijk uitgezocht, maar het zou natuurlijk kunnen dat in de volgende jaren dat er wat onderwerpen gaan veranderen of bijvoorbeeld eraf gaan of erbij komen.
  I have of course researched everything as well as possible, but it could naturally happen that in the following years some topics will change or, for example, be removed or added.

[02:25] Dan kan het zijn dat hij niet meer helemaal actueel is.
  Then it may be that it is no longer completely up-to-date.

[02:26] Maar ik denk zelfs voor de komende 5 tot 10 jaar dat 90% van dit hetzelfde zou blijven.
  But I even think that for the next 5 to 10 years, 90% of this would remain the same.

[02:33] Laten we beginnen met het eerste.
  Let's start with the first one.

[02:33] Welke soorten vragen kunnen jullie verwachten op jouw examen?
  What types of questions can you expect on your exam?

[02:38] Nou, op de eerste plek natuurlijk de meer keuze vragen.
  Well, first of all, of course, the multiple-choice questions.

[02:41] En wat zien we dan staan?
  And what do we see there?

[02:42] Bijvoorbeeld hier een vraag.
  For example, here is a question.

[02:42] De eigenaar van een bedrijf moet een ondernemingsvorm kiezen.
  The owner of a company must choose a business form.

[02:45] Welke ondernemingsvorm moet hij kiezen, zodat hij niet hoofdelijk aansprakelijk is voor de schulden van het bedrijf?
  Which business form should he choose so that he is not personally liable for the debts of the company?

[02:51] Nou, klassieke vraag.
  Well, a classic question.

[02:51] Deze heeft drie antwoorden.
  This one has three answers.

[02:53] Wat zie ik helaas veel te vaak gebeuren dat mensen geen antwoord invullen?
  What do I unfortunately see happen far too often is that people don't fill in an answer?

[03:00] En dat komt omdat ze dan denken: "Ja, ik weet het even niet precies.
  And that's because they think: "Yes, I don't know exactly.

[03:00] Dus weet je wat? Ik sla hem
  So you know what? I'll skip it

[03:03] precies. Dus weet je wat? Ik sla hem even over.
  Exactly. So you know what? I'll skip it for now.

[03:06] even over. Nou, mijn tip zou dan zijn: zet er even een sterretje bij en vul wel alvast een antwoord in.
  skip it for now. Well, my tip would then be: put a little star next to it and fill in an answer anyway.

[03:08] zet er even een sterretje bij en vul wel alvast een antwoord in.
  put a little star next to it and fill in an answer anyway.

[03:10] alvast een antwoord in. Zo, weet je, ik kan als ik tijd heb er nog op terugkomen, maar als ik geen tijd meer heb, heb ik in elk geval 33,33% kans om deze opgave goed te hebben.
  fill in an answer anyway. So, you know, if I have time, I can come back to it, but if I don't have time anymore, I at least have a 33.33% chance of getting this question right.

[03:12] kan als ik tijd heb er nog op terugkomen, maar als ik geen tijd meer heb, heb ik in elk geval 33,33% kans om deze opgave goed te hebben.
  if I have time, I can come back to it, but if I don't have time anymore, I at least have a 33.33% chance of getting this question right.

[03:13] terugkomen, maar als ik geen tijd meer heb, heb ik in elk geval 33,33% kans om deze opgave goed te hebben.
  come back to it, but if I don't have time anymore, I at least have a 33.33% chance of getting this question right.

[03:17] heb, heb ik in elk geval 33,33% kans om deze opgave goed te hebben. Dus ga dat dan ook doen.
  have, I at least have a 33.33% chance of getting this question right. So do that then.

[03:19] kans om deze opgave goed te hebben. Dus ga dat dan ook doen. Nou, wat zien we eh vaak ook staan?
  chance of getting this question right. So do that then. Well, what do we often see listed?

[03:23] ga dat dan ook doen. Nou, wat zien we eh vaak ook staan? vier antwoorden.
  do that then. Well, what do we often see listed? four answers.

[03:26] vaak ook staan? vier antwoorden. Overigens, meestal op Vmbo zijn tussen de vier en de acht meer keuzevragen.
  often see listed? four answers. Incidentally, usually on Vmbo there are between four and eight multiple-choice questions.

[03:28] Overigens, meestal op Vmbo zijn tussen de vier en de acht meer keuzevragen. En vaak zien we al inderdaad dat er twee antwoorden automatisch afvallen.
  Incidentally, usually on Vmbo there are between four and eight multiple-choice questions. And we often see indeed that two answers automatically fall away.

[03:30] de vier en de acht meer keuzevragen. En vaak zien we al inderdaad dat er twee antwoorden automatisch afvallen.
  four and eight multiple-choice questions. And we often see indeed that two answers automatically fall away.

[03:33] vaak zien we al inderdaad dat er twee antwoorden automatisch afvallen. En dan heb je dus nog een kans van eigenlijk 50%.
  we often see indeed that two answers automatically fall away. And then you have a chance of actually 50%.

[03:35] antwoorden automatisch afvallen. En dan heb je dus nog een kans van eigenlijk 50%.
  answers automatically fall away. And then you have a chance of actually 50%.

[03:37] heb je dus nog een kans van eigenlijk 50%. Bijvoorbeeld zoals bij deze. Is Zweden ook lid van de Europese monetaire Unie?
  you have a chance of actually 50%. For example, like with this one. Is Sweden also a member of the European Monetary Union?

[03:40] 50%. Bijvoorbeeld zoals bij deze. Is Zweden ook lid van de Europese monetaire Unie?
  50%. For example, like with this one. Is Sweden also a member of the European Monetary Union?

[03:42] Zweden ook lid van de Europese monetaire Unie? Belangrijk woord net zoals hier, zodat hij niet hoofdelijk aansprakelijk is, is hier is Zweden ook lid.
  Sweden also a member of the European Monetary Union? Important word just like here, so that he is not jointly and severally liable, is here is Sweden also a member.

[03:45] Unie? Belangrijk woord net zoals hier, zodat hij niet hoofdelijk aansprakelijk is, is hier is Zweden ook lid.
  Union? Important word just like here, so that he is not jointly and severally liable, is here is Sweden also a member.

[03:47] zodat hij niet hoofdelijk aansprakelijk is, is hier is Zweden ook lid. Dus dat suggereert eigenlijk al dat ze lid zijn van de Europese Unie, maar zijn ze ook lid van de Europese Monetaire Unie?
  so that he is not jointly and severally liable, is here is Sweden also a member. So that actually already suggests that they are members of the European Union, but are they also members of the European Monetary Union?

[03:50] is, is hier is Zweden ook lid. Dus dat suggereert eigenlijk al dat ze lid zijn van de Europese Unie, maar zijn ze ook lid van de Europese Monetaire Unie?
  is here is Sweden also a member. So that actually already suggests that they are members of the European Union, but are they also members of the European Monetary Union?

[03:52] suggereert eigenlijk al dat ze lid zijn van de Europese Unie, maar zijn ze ook lid van de Europese Monetaire Unie?
  already suggests that they are members of the European Union, but are they also members of the European Monetary Union?

[03:54] van de Europese Unie, maar zijn ze ook lid van de Europese Monetaire Unie? Nou, je ziet al de eerste twee A en B, daar zit is het antwoord ja en bij C en D is het nee.
  of the European Union, but are they also members of the European Monetary Union? Well, you already see the first two A and B, there the answer is yes and for C and D it is no.

[03:57] lid van de Europese Monetaire Unie? Nou, je ziet al de eerste twee A en B, daar zit is het antwoord ja en bij C en D is het nee.
  member of the European Monetary Union? Well, you already see the first two A and B, there the answer is yes and for C and D it is no.

[03:59] je ziet al de eerste twee A en B, daar zit is het antwoord ja en bij C en D is het nee.
  you already see the first two A and B, there the answer is yes and for C and D it is no.

[04:02] zit is het antwoord ja en bij C en D is het nee. Dat wil dus zeggen als je zeg
  is the answer yes and for C and D it is no. That means if you say

[04:04] Dat wil dus zeggen als je zeg maar een deel van de opgave het antwoord.
  That means if you know part of the answer to the question.

[04:06] Maar een deel van de opgave het antwoord al weet, dan valt de andere helft dus al.
  But if you already know part of the answer to the question, then the other half is eliminated.

[04:08] Al weet, dan valt de andere helft dus al af.
  If you know, then the other half is eliminated.

[04:10] Dus bijvoorbeeld als je weet dat het antwoord ja is, dan vallen C en D al af.
  So for example, if you know the answer is yes, then C and D are eliminated.

[04:13] En als je weet het antwoord is nee, dan vallen A en B al af.
  And if you know the answer is no, then A and B are eliminated.

[04:14] Schrijf een antwoord op.
  Write down an answer.

[04:16] Als je niet zeker weet, zet er even een sterretje bij.
  If you are not sure, put a little asterisk next to it.

[04:18] Dan kun je altijd dat daarna nog controleren.
  Then you can always check it later.

[04:22] Helaas zien we het vaak voorkomen dus dat mensen vergeten om een antwoord in te vullen zonder van de punten.
  Unfortunately, we often see that people forget to fill in an answer without the points.

[04:24] Op de tweede plek hebben we natuurlijk ook vaak rekenvragen.
  Secondly, we also often have calculation questions.

[04:26] Die komen natuurlijk in ongeveer 1/3 van de toets komen die voor dat je moet gaan rekenen.
  They naturally appear in about 1/3 of the test, where you have to calculate.

[04:28] Nou, bijvoorbeeld de volgende som.
  Well, for example, the following sum.

[04:30] In Zuid-Korea kost de Willy Boekenkast ongerekend €81,75.
  In South Korea, the Willy Bookshelf costs, uncalculated, €81.75.

[04:32] Bereken in welk land Marokko of India de Willieboekenkast het goedkoopste is.
  Calculate in which country, Morocco or India, the Willy Bookshelf is cheapest.

[04:35] Schrijf je berekening en conclusie op.
  Write down your calculation and conclusion.

[04:37] Nou, je ziet ook dat er daar twee punten voor staan.
  Well, you also see that there are two points for that.

[04:39] En twee punten betekent dus ook dat je één punt krijgt voor de berekening waarschijnlijk en één punt voor de eindconclusie.
  And two points also means that you probably get one point for the calculation and one point for the final conclusion.

[04:41] Daarom zeggen wij ook altijd: "Schrijf altijd je berekening op.
  That is why we always say: 'Always write down your calculation.

[04:44] Nooit alleen een antwoord."
  Never just an answer."

[04:46] Want ja, dat antwoord dat is
  Because yes, that answer is

[05:06] antwoord.
  Answer.

[05:06] Want ja, dat antwoord dat is je conclusie.
  Because yes, that answer is your conclusion.

[05:07] Dus daar kun je nog wel je conclusie.
  So you can still draw your conclusion.

[05:07] Dus daar kun je nog wel een punt mee scoren.
  So you can still score a point with that.

[05:08] Maar ook wel denk een punt mee scoren.
  But also think you score a point.

[05:08] Maar ook wel denk je nou ja, dat is zo'n simpele berekening.
  But you also think well, that's such a simple calculation.

[05:10] je nou ja, dat is zo'n simpele berekening.
  you well, that's such a simple calculation.

[05:10] Schrijft de berekening op.
  Write down the calculation.

[05:12] berekening.
  calculation.

[05:12] Schrijft de berekening op.
  Write down the calculation.

[05:14] niet op een klapblaadje, maar op je eigenlijke uitwerkingenblad.
  not on a scratchpad, but on your actual working sheet.

[05:16] eigenlijke uitwerkingenblad.
  actual working sheet.

[05:16] Nou, je conclusie schrijf je ook altijd op.
  Well, you always write down your conclusion too.

[05:19] Nou, je conclusie schrijf je ook altijd op.
  Well, you always write down your conclusion too.

[05:19] En mijn tip zou zijn, niet iedere docent doet dat, is markeer je eindantwoord.
  And my tip would be, not every teacher does that, is to mark your final answer.

[05:21] op.
  down.

[05:21] En mijn tip zou zijn, niet iedere docent doet dat, is markeer je eindantwoord.
  And my tip would be, not every teacher does that, is to mark your final answer.

[05:23] docent doet dat, is markeer je eindantwoord.
  teacher does that, is to mark your final answer.

[05:23] Waarom?
  Why?

[05:23] En d is voor jezelf duidelijker wat je precies als eindantwoord hebt gegeven.
  And it is clearer for yourself what exactly you have given as the final answer.

[05:25] eindantwoord.
  final answer.

[05:25] Waarom?
  Why?

[05:25] En d is voor jezelf duidelijker wat je precies als eindantwoord hebt gegeven.
  And it is clearer for yourself what exactly you have given as the final answer.

[05:27] jezelf duidelijker wat je precies als eindantwoord hebt gegeven.
  yourself clearer what exactly you have given as the final answer.

[05:27] En ook voor de docent is het iets makkelijker om na te kijken.
  And it is also a bit easier for the teacher to check.

[05:29] eindantwoord hebt gegeven.
  given as the final answer.

[05:29] En ook voor de docent is het iets makkelijker om na te kijken.
  And it is also a bit easier for the teacher to check.

[05:31] de docent is het iets makkelijker om na te kijken.
  the teacher it is a bit easier to check.

[05:31] Nou, euro's ronden wij altijd af op twee decimalen.
  Well, we always round euros to two decimal places.

[05:34] te kijken.
  to check.

[05:34] Nou, euro's ronden wij altijd af op twee decimalen.
  Well, we always round euros to two decimal places.

[05:34] Dat wil eigenlijk zeggen dat als je bijvoorbeeld een antwoord hebt van €17,4 of hier €81,7, dat bestaat niet.
  That actually means that if you have an answer of €17.4 or here €81.7, that does not exist.

[05:37] af op twee decimalen.
  down to two decimal places.

[05:37] Dat wil eigenlijk zeggen dat als je bijvoorbeeld een antwoord hebt van €17,4 of hier €81,7, dat bestaat niet.
  That actually means that if you have an answer of €17.4 or here €81.7, that does not exist.

[05:38] zeggen dat als je bijvoorbeeld een antwoord hebt van €17,4 of hier €81,7, dat bestaat niet.
  say that if you have an answer of €17.4 or here €81.7, that does not exist.

[05:40] antwoord hebt van €17,4 of hier €81,7, dat bestaat niet.
  have an answer of €17.4 or here €81.7, that does not exist.

[05:43] of hier €81,7, dat bestaat niet.
  or here €81.7, that does not exist.

[05:43] Euro's is altijd op twee decimalen.
  Euros are always in two decimal places.

[05:45] dat bestaat niet.
  that does not exist.

[05:45] Euro's is altijd op twee decimalen.
  Euros are always in two decimal places.

[05:45] Procenten vaak op één decimaal, tenzij anders aangegeven.
  Percentages often to one decimal place, unless otherwise indicated.

[05:48] twee decimalen.
  decimal places.

[05:48] Procenten vaak op één decimaal, tenzij anders aangegeven.
  Percentages often to one decimal place, unless otherwise indicated.

[05:51] decimaal, tenzij anders aangegeven.
  decimal place, unless otherwise indicated.

[05:51] En andere getallen.
  And other numbers.

[05:51] Moet je maar even kijken hoe dat in de som staat.
  You just have to look at how it is stated in the sum.

[05:52] andere getallen.
  other numbers.

[05:52] Moet je maar even kijken hoe dat in de som staat.
  You just have to look at how it is stated in the sum.

[05:56] kijken hoe dat in de som staat.
  look at how it is stated in the sum.

[05:56] Gebruik alleen de getallen die in de opgave staan.
  Only use the numbers that are in the problem.

[05:57] alleen de getallen die in de opgave staan.
  the numbers that are in the problem.

[05:57] Ga zelf geen getallen erbij verzinnen.
  Do not make up any numbers yourself.

[06:00] staan.
  are.

[06:00] Ga zelf geen getallen erbij verzinnen.
  Do not make up any numbers yourself.

[06:00] Ja, sommige leerlingen gaan dan zelf zeggen: "Ja, eh een andere kast bijvoorbeeld in deze opgave kost ongeveer €100."
  Yes, some students will then say themselves: "Yes, uh another cabinet in this problem, for example, costs about €100."

[06:02] verzinnen.
  make up.

[06:02] Ja, sommige leerlingen gaan dan zelf zeggen: "Ja, eh een andere kast bijvoorbeeld in deze opgave kost ongeveer €100."
  Yes, some students will then say themselves: "Yes, uh another cabinet in this problem, for example, costs about €100."

[06:04] dan zelf zeggen: "Ja, eh een andere kast bijvoorbeeld in deze opgave kost ongeveer €100."
  then say themselves: "Yes, uh another cabinet in this problem, for example, costs about €100."

[06:05] bijvoorbeeld in deze opgave kost ongeveer €100."
  in this problem, for example, costs about €100."

[06:05] Ja, dat kan wel zo zijn,
  Yes, that may well be the case,

[06:08] ongeveer €100.
  around €100.

[06:08] Ja, dat kan wel zo zijn, maar het staat niet in de opgave.
  Yes, that may well be the case, but it is not in the assignment.

[06:10] En maar het staat niet in de opgave.
  And but it is not in the assignment.

[06:10] En daarom gebruik alleen maar die getallen.
  And therefore only use those numbers.

[06:13] daarom gebruik alleen maar die getallen.
  therefore only use those numbers.

[06:15] [snuift] Als je echt geen idee hebt, ja, neem de getallen uit de som eh op bijlage over en deel ze bijvoorbeeld door elkaar.
  [sniffs] If you really have no idea, yes, take the numbers from the sum, uh, from the appendix and divide them, for example, by each other.

[06:18] bijlage over en deel ze bijvoorbeeld door elkaar.
  appendix and divide them, for example, by each other.

[06:20] door elkaar. Niet geschoten is altijd mis.
  by each other. Not shot is always missed.

[06:22] mis. Nou, hier staat dan één getal zeg maar en in de bijlage in de informatiebron staat nog een getal.
  missed. Well, here is one number, so to speak, and in the appendix in the information source there is another number.

[06:26] informatiebron staat nog een getal. Als je het echt niet weet, gewoon eens door elkaar delen of met elkaar vermenigvuldigen.
  information source there is another number. If you really don't know, just divide them by each other or multiply them together.

[06:29] elkaar delen of met elkaar vermenigvuldigen.
  divide each other or multiply each other.

[06:32] Dan zou het ehm dan zou het zomaar kunnen zijn dat je misschien toch nog een puntje bij elkaar kan schrapen.
  Then it would, uh, then it could just be that you might still scrape together a point.

[06:37] kan schrapen. Nou, en dat is vaak voor leerlingen wel een eh ja, een mooie gelegenheid om toch nog wat extra puntjes te scoren.
  scrape together. Well, and that is often for students a, uh, yes, a nice opportunity to still score some extra points.

[06:43] puntjes te scoren. Dus meer keusvragen hebben we, we hebben rekenvragen.
  score points. So we have more multiple-choice questions, we have calculation questions.

[06:45] hebben we, we hebben rekenvragen. Nou, natuurlijk soms staat de formule al bij de vraag.
  we have, we have calculation questions. Well, of course, sometimes the formula is already with the question.

[06:47] de vraag. Gebruik deze ook en vul enkel de juiste getallen in.
  the question. Use this too and only fill in the correct numbers.

[06:50] de juiste getallen in. Bijvoorbeeld hè de IA ratio.
  the correct numbers. For example, the IA ratio.

[06:52] de IA ratio. En daar staat dit in de rest van de som.
  the IA ratio. And this is in the rest of the sum.

[06:56] rest van de som. De Ia ratio kun je berekenen met een formule.
  rest of the sum. The Ia ratio can be calculated with a formula.

[06:57] berekenen met een formule. Ia ratio is aantal inactieve delen. Daardoor het aantal actieve.
  calculated with a formula. Ia ratio is number of inactive parts. Divided by the number of active ones.

[07:01] aantal inactieve delen. Daardoor het aantal actieve.
  number of inactive parts. Divided by the number of active ones.

[07:04] aantal actieve. Dat mij natuurlijk gek op het moment dat je deze formule niet gaat gebruiken.
  number of active ones. That is of course strange to me at the moment that you do not use this formula.

[07:06] gaat gebruiken. Die staat namelijk gewoon in de opgave.
  use. It is simply in the assignment.

[07:07] En dan kan je op
  And then you can on

[07:09] gewoon in de opgave.
  just in the assignment.

[07:11] En dan kan je op basis daarvan als je de goede getallen invult kan je jouw antwoord krijgen.
  And then, based on that, if you fill in the correct numbers, you can get your answer.

[07:14] Dus je hoeft niet per se al die formules uit je hoofd te stampen.
  So you don't necessarily have to memorize all those formulas.

[07:18] Al is het natuurlijk wel lastig om te zeggen welke formules dat er al voor bij voorbaad gegeven worden.
  Although it is naturally difficult to say which formulas are already given in advance.

[07:22] Dat weten wij natuurlijk ook niet.
  We don't know that either, of course.

[07:25] Nou, derde soort vragen zijn de toepassingsvragen.
  Well, the third type of questions are application questions.

[07:28] Dat is over het algemeen nou de goede helft van het examen.
  That is generally, well, the good half of the exam.

[07:33] Deze vragen herken je doordat ze vaak twee punten waard zijn of juist meer.
  You recognize these questions because they are often worth two points or even more.

[07:39] Nou, als een vraag twee punten waard is, moet je vaak ook twee of meer stappen uitvoeren.
  Well, if a question is worth two points, you often have to perform two or more steps.

[07:43] Anders kunnen wij hem namelijk niet nakijken.
  Otherwise, we cannot grade it.

[07:45] Dat kan een berekening bijvoorbeeld met een conclusie zijn.
  That can be a calculation, for example, with a conclusion.

[07:48] Dat kan een involoefening zijn.
  That can be an application exercise.

[07:50] Kijk daarbij of je alles hebt.
  Check if you have everything.

[07:52] En als je geen idee hebt, probeer iets in te vullen met de getallen of woorden die er staan.
  And if you have no idea, try to fill something in with the numbers or words that are there.

[07:56] Want soms krijg je, zoals je bij de vorige zag, ook een punt voor de conclusie.
  Because sometimes, as you saw with the previous one, you also get a point for the conclusion.

[08:00] Nou, bijvoorbeeld hier hè heb je eh leg in twee stappen uit dat het beleid van IKEI om meer vrouwen in dienst te nemen de economie op langere termijn kan stimuleren.
  Well, for example, here you have to explain in two steps how IKEA's policy of hiring more women can stimulate the economy in the long term.

[08:07] Nou, twee stappen moet je
  Well, you have to take two steps

[08:10] stimuleren. Nou, twee stappen moet je het uitleggen en daar staan twee punten voor.
  stimulate. Well, you have to explain it in two steps and there are two points for that.

[08:13] Dus dat wil zeggen dat je voor iedere stap ook één punt gaat krijgen.
  So that means that you will get one point for every step.

[08:16] Dus doorwerkfouten of doorrekenfouten, in dit geval een doorwerkfout is daarbij mogelijk.
  So work-through errors or calculation errors, in this case a work-through error is possible.

[08:22] Dus probeer het in elk geval ook al weet je alleen de laatste stap probeer dat op te schrijven.
  So try to write it down in any case, even if you only know the last step.

[08:26] Dat zijn de toepassingsvragen.
  Those are the application questions.

[08:27] En als laatste, dat is ongeveer 10 tot 15% hebben we ook nog inzichtsvragen.
  And lastly, that is about 10 to 15%, we also have insight questions.

[08:33] En inzichtsvragen die zijn natuurlijk het lastigste te trainen.
  And insight questions are of course the hardest to train.

[08:37] Daar heb je iets meer economische kennis voor nodig.
  You need a bit more economic knowledge for that.

[08:40] Ik zeg altijd: "Maak die vragen persoonlijk.
  I always say: "Make those questions personal.

[08:44] Kijk naar jouw situatie. Als jij in die situatie zou staan, wat zou jij als bedrijf of als mens of als overheid, wat zou je doen?"
  Look at your situation. If you were in that situation, what would you do as a company or as a person or as a government?"

[08:51] Vaak zijn die ook gebaseerd op algemene kennis.
  Often they are also based on general knowledge.

[08:53] Nou, bijvoorbeeld noem een reden waarom 65 plussers vaak een hoogvermogen bezitten ondanks hun lage inkomen.
  Well, for example, name a reason why people over 65 often have high assets despite their low income.

[09:00] Nou, daar bedoelen ze waarschijnlijk mee dat die mensen inderdaad een een pensioen krijgen.
  Well, they probably mean by that that those people indeed receive a pension.

[09:03] Nou, hoe hebben die een hoog vermogen? is natuurlijk heel moeilijk te trainen.
  Well, how do they have high assets? is of course very difficult to train.

[09:07] Het antwoord zal waarschijnlijk zijn omdat die mensen een huis hebben
  The answer will probably be because those people have a house

[09:10] zijn omdat die mensen een huis hebben gekocht en dat hebben zij afbetaald en gekocht en dat hebben zij afbetaald en daardoor hebben zij een hoger vermogen.
  because those people bought a house and paid it off and bought it and paid it off, and therefore they have a higher net worth.

[09:14] daardoor hebben zij een hoger vermogen bijvoorbeeld.
  therefore they have a higher net worth, for example.

[09:16] bijvoorbeeld. Nou, dat moet je maar net weten.
  for example. Well, you just have to know that.

[09:19] weten. Heb jij nou niet echt die economische knobbel?
  know. Don't you really have that business acumen?

[09:21] economische knobbel? Dan zou ik me niet hierop richten, maar dan zou ik vooral op de toepassingsvragen gaan zitten.
  business acumen? Then I wouldn't focus on that, but I would primarily focus on the application questions.

[09:22] hierop richten, maar dan zou ik vooral op de toepassingsvragen gaan zitten.
  focus on that, but I would primarily focus on the application questions.

[09:25] op de toepassingsvragen gaan zitten. Een stukje rekenvragen en één onderwerp wat ik niet eens heb behandeld zijn natuurlijk de reproductievragen.
  focus on the application questions. A bit of calculation questions and one topic that I haven't even covered are, of course, the reproduction questions.

[09:27] stukje rekenvragen en één onderwerp wat ik niet eens heb behandeld zijn natuurlijk de reproductievragen.
  bit of calculation questions and one topic that I haven't even covered are, of course, the reproduction questions.

[09:28] ik niet eens heb behandeld zijn natuurlijk de reproductievragen.
  I haven't even covered are, of course, the reproduction questions.

[09:30] natuurlijk de reproductievragen. En de reproductievragen zijn de vragen die wat je gewoon kan kan leren.
  of course, the reproduction questions. And the reproduction questions are the questions that you can simply learn.

[09:32] reproductievragen zijn de vragen die wat je gewoon kan kan leren.
  reproduction questions are the questions that you can simply learn.

[09:34] je gewoon kan kan leren. Dat zijn er maar echt één of twee per examen, maar goed, dat zijn toch weer wat puntjes die wat je kan sprokkelen.
  you can simply learn. There are only really one or two per exam, but well, those are still some points that you can gather.

[09:36] maar echt één of twee per examen, maar goed, dat zijn toch weer wat puntjes die wat je kan sprokkelen.
  only really one or two per exam, but well, those are still some points that you can gather.

[09:38] goed, dat zijn toch weer wat puntjes die wat je kan sprokkelen.
  well, those are still some points that you can gather.

[09:40] wat je kan sprokkelen. Nou, noem een voordeel voor ien van het ondernemen van het klantenbestand van de huidige eigenaar.
  you can gather. Well, name an advantage for ION of taking over the customer base of the current owner.

[09:42] voordeel voor ien van het ondernemen van het klantenbestand van de huidige eigenaar.
  advantage for ION of taking over the customer base of the current owner.

[09:44] het klantenbestand van de huidige eigenaar. Ook dat is een inzichtsvraag.
  the customer base of the current owner. That too is an insight question.

[09:47] eigenaar. Ook dat is een inzichtsvraag. Ja, dat is natuurlijk daar moet je iets voor kunnen.
  owner. That too is an insight question. Yes, that naturally requires you to be able to do something.

[09:49] Ja, dat is natuurlijk daar moet je iets voor kunnen. Ja, iets meer voor kunnen dan alleen maar het vak leren.
  Yes, that naturally requires you to be able to do something. Yes, be able to do something more than just learn the subject.

[09:51] voor kunnen. Ja, iets meer voor kunnen dan alleen maar het vak leren.
  be able to do. Yes, be able to do something more than just learn the subject.

[09:53] dan alleen maar het vak leren. Vaak is wel de tip: hierboven staat de informatie.
  than just learn the subject. Often the tip is: the information is above.

[09:55] wel de tip: hierboven staat de informatie.
  the tip is: the information is above.

[09:57] informatie. Dus bijvoorbeeld ION wil een bestaande camping overnemen. Die gaan moderniseren tot een glamping.
  information. So, for example, ION wants to take over an existing campsite. They are going to modernize it into a glamping site.

[09:59] bestaande camping overnemen. Die gaan moderniseren tot een glamping.
  take over an existing campsite. They are going to modernize it into a glamping site.

[10:01] moderniseren tot een glamping. De huidige eigenaar wil tegen betaling klantenbestand aan hem overdragen.
  modernize it into a glamping site. The current owner wants to transfer the customer base to him for a fee.

[10:03] huidige eigenaar wil tegen betaling klantenbestand aan hem overdragen.
  current owner wants to transfer the customer base to him for a fee.

[10:05] klantenbestand aan hem overdragen. Nou, wat is het voordeel?
  transfer the customer base to him. Well, what is the advantage?

[10:07] wat is het voordeel? Nou, in dit geval zou je bijvoorbeeld kunnen zeggen: "Nou, die AON die heeft natuurlijk al een hoop
  is the advantage? Well, in this case, you could for example say: "Well, that AON naturally already has a lot

[10:08] zou je bijvoorbeeld kunnen zeggen: "Nou, die AON die heeft natuurlijk al een hoop
  you could for example say: "Well, that AON naturally already has a lot

[10:11] die AON die heeft natuurlijk al een hoop mensen als hij dat klant klantenbestand.
  That AON naturally already has a lot of people if he has that customer customer base.

[10:13] mensen als hij dat klant klantenbestand heeft die wat hij een mailtje kan sturen om bijvoorbeeld uit te nodigen.
  people if he has that customer customer base who he can send an email to, for example, to invite.

[10:16] Nou, dan heeft het wat economische voordelen.
  Well, then it has some economic advantages.

[10:19] Dus inzichtsvragen zijn de moeilijkste te trainen.
  So insight questions are the hardest to train.

[10:24] trainen.
  train.

[10:24] Let op, bij sommige inzichtsvragen staat een deel van het antwoord al gegeven in de tekst boven de opgave.
  Note, with some insight questions, part of the answer is already given in the text above the question.

[10:29] Lees deze altijd en als je heel slim bent, arceer het dan.
  Always read this and if you are very smart, highlight it.

[10:30] Je mag namelijk op je toets schrijven.
  Because you are allowed to write on your test.

[10:32] De familie Boot won met plezier veel plezier al 30 jaar in hun huis en ze willen nog vele jaren blijven wonen.
  The Boot family has happily enjoyed living in their house for 30 years and they want to continue living there for many years to come.

[10:40] wonen.
  live.

[10:40] En dan eigenlijk ze is de vraag leg uit waarom familie Boot de overwaarde van een woning niet op korte termijn uit kan geven.
  And then actually the question is explain why the Boot family cannot spend the equity of a home in the short term.

[10:49] geven.
  give.

[10:49] Nou, wat zegt de vraag?
  Well, what does the question say?

[10:49] De familie Boot woont al met veel plezier 30 jaar in huis en ze willen er nog vele jaren blijven wonen.
  The Boot family has been living in the house with great pleasure for 30 years and they want to continue living there for many years to come.

[10:57] De vraag is: hoezo kunnen ze de eh de woningwaarde overwaarde niet op korte termijn uitgeven?
  The question is: why can't they spend the uh the home value equity in the short term?

[11:03] Ja, dat staat dat ze er nog vele jaren willen blijven wonen.
  Yes, it says that they want to continue living there for many years.

[11:03] Dus dit is ook een inzichtsvraag, maar daarbij staat het antwoord eigenlijk al in de vraag.
  So this is also an insight question, but the answer is actually already in the question.

[11:09] Dus daarom lees die vraag goed en
  So therefore read that question carefully and

[11:12] vraag. Dus daarom lees die vraag goed en als je het echt niet weet, herhaal dan iets wat daar staat.
  Question. So therefore read the question carefully and if you really don't know, repeat something that is stated there.

[11:16] Nou, ik ga nu beginnen met het tweede deel van de video, want we gaan het nu hebben over twee dingen, namelijk theorie.
  Well, I am now going to start with the second part of the video, because we are now going to talk about two things, namely theory.

[11:23] Dat is het eerste deel. En het tweede deel zijn alle berekeningen daarin.
  That is the first part. And the second part is all the calculations in it.

[11:26] Ik heb bij de meeste opgaves heb ik nog wel gezocht naar een voorbeeldexamenopdracht en die ga ik dan nog met jullie bespreken.
  For most of the exercises, I have looked for a sample exam assignment and I am going to discuss that with you.

[11:35] Dus we gaan nu naar het derde deel van deze video.
  So we are now going to the third part of this video.

[11:38] Hopelijk ben je er nog bij.
  Hopefully you are still with me.

[11:40] Ik ga het nu met jullie over de volgende onderwerp hebben.
  I am now going to talk to you about the following topic.

[11:41] We gaan het over lastige begrippen hebben.
  We are going to talk about difficult concepts.

[11:43] Die ga ik kort even aanstippen en we gaan het dan over lastige onderwerpen hebben waar ik iets meer over kan vertellen.
  I will briefly touch upon them and then we will talk about difficult topics about which I can tell you a bit more.

[11:48] Nou, wat zie je vaak op examens terugkomen en wat leerlingen aangaven?
  Well, what do you often see appearing on exams and what did students indicate?

[11:52] Dat vinden we lastige begrippen.
  We find those difficult concepts.

[11:53] Het BBP, het bruto binnenlands product is de waarde van een productie in een land.
  The GDP, the gross domestic product is the value of production in a country.

[11:59] Wij zeggen ook wel eens de bruto binnenlandse productie.
  We also sometimes call it the gross domestic production.

[12:01] Dus eigenlijk hoeveel wordt er in een land gemaakt en wat is de waarde daarvan?
  So actually, how much is made in a country and what is its value?

[12:05] Koopkracht. zien we ook ieder examen wel terugkomen.
  Purchasing power. we also see appearing on every exam.

[12:07] Dat wat je van je verdien geld kan gaan kopen.
  That which you can go buy with the money you earn.

[12:13] van je verdien geld kan gaan kopen.
  can buy with your earnings.

[12:14] Dus als je een hogere koopkracht hebt, dan kan je dus als het goed is meer gaan kopen.
  So if you have higher purchasing power, then you can, as it should be, buy more.

[12:17] Inflatie gaan we dadelijk nog over hebben, zijn de algemene prijsstijgingen.
  We will talk about inflation shortly, which are general price increases.

[12:21] Commercieel, een commercieel bedrijf of een commerciële reclame is iets wat op winst is gericht.
  Commercial, a commercial company or a commercial advertisement is something that is profit-oriented.

[12:25] Ja, is een tegenhanger van bijvoorbeeld ideaal.
  Yes, it is a counterpart to, for example, ideal.

[12:27] We hebben welvaart.
  We have prosperity.

[12:30] Mensen vinden een lastig begrip.
  People find it a difficult concept.

[12:32] Waarom?
  Why?

[12:34] Het betekent de mate waarin je met middelen in je behoefte kan voorzien.
  It means the extent to which you can meet your needs with resources.

[12:36] Dus bijvoorbeeld hè als mensen inderdaad vinden hè het is we hebben welzijn, dat is meer een gevoel hè.
  So, for example, if people indeed find that we have well-being, that is more of a feeling.

[12:38] Dus hoe voelen mens zich maar welvaart dan kan je ook echt wel op papier uitleggen zeg maar hoe hè hoe kunnen mensen in hun basisbehoefte bijvoorbeeld voorzien.
  So how people feel, but prosperity, you can also really explain on paper how people can meet their basic needs, for example.

[12:41] Dus bijvoorbeeld de welvaart in Nederland is bij de meeste mensen daarom best wel hoog.
  So, for example, prosperity in the Netherlands is quite high for most people.

[12:43] in elk geval hoger dan bijvoorbeeld een welvaart in een arm land in Afrika.
  In any case, higher than, for example, prosperity in a poor country in Africa.

[12:46] Het welzijn kan in Nederland wel lager zijn, want misschien voelen die mensen zich daar veel gelukkiger.
  Well-being in the Netherlands can be lower, because perhaps those people feel much happier there.

[12:48] Dat zou kunnen.
  That could be.

[12:50] Maar welzijn en welvaart zijn andere
  But well-being and prosperity are different

[13:14] Maar welzijn en welvaart zijn andere begrippen.
  But well-being and prosperity are different concepts.

[13:17] Gaartaalgeld is tastbaar geld.
  Tangible money is tangible money.

[13:21] Oftewel munten, bankbarilletten.
  In other words, coins, banknotes.

[13:23] Giraalgeld is geld dat op een rekening bijvoorbeeld staat of geld dat je niet direct kan aanraken.
  Book money is money that is in an account, for example, or money that you cannot touch directly.

[13:28] Een hypotheek zit er ieder jaar eigenlijk wel in.
  A mortgage is actually in there every year.

[13:29] Een hypotheek is eigenlijk een langlopende lening die wat je afsluit om een huis of een pand te kopen.
  A mortgage is actually a long-term loan that you take out to buy a house or a property.

[13:37] De spaarrente is geld dat je ontvangt als vergoeding omdat je spaart.
  The savings interest is money you receive as compensation for saving.

[13:45] Dus dat krijg je.
  So you get that.

[13:45] Leenrente is geld dat je betaalt omdat je geld doet lenen.
  Lending interest is money you pay because you borrow money.

[13:50] Zeggen ze ook let op geld lenen kost geld.
  They also say, be careful, borrowing money costs money.

[13:55] Dividend zit er ook al regelmatig in.
  Dividend is also regularly included.

[13:58] Eigenlijk is het zo als je eigenaar bent van een bedrijf en je hebt aandelen gekocht van een bedrijf, dan kan op het einde van het jaar kan het bedrijf zeggen: "Weet je wat? We gaan een deel van onze winst verdelen over onze eigenaren, over onze aandeelhouders.
  Actually, if you are the owner of a company and you have bought shares in a company, then at the end of the year the company can say: "You know what? We are going to distribute a part of our profit among our owners, among our shareholders.

[14:09] Dan noemen ze dat dividend."
  Then they call that dividend."

[14:12] Een begroting zit er ook heel vaak in.
  A budget is also often included.

[14:12] D is eigenlijk
  D is actually

[14:14] zit er ook heel vaak in.
  is also in there very often.

[14:16] een overzicht van alle verwachte inkomsten en verwachte uitgaven.
  an overview of all expected income and expected expenses.

[14:18] Dus een begroting maak je altijd vooraf.
  So a budget is always made in advance.

[14:21] Hebben we afzet.
  We have sales.

[14:23] Heel veel leerlingen snappen niet wat afzet is.
  Many students do not understand what sales are.

[14:26] Afzet is hetzelfde als stuks.
  Sales are the same as units.

[14:29] Dus omzet is afzet keer verkoopprijs.
  So revenue is sales times selling price.

[14:31] Dan zeggen dus eigenlijk omzet is het aantal stuks keer de verkoopprijs.
  Then you actually say revenue is the number of units times the selling price.

[14:36] Formeel is geregistreerd.
  Formally registered.

[14:39] Dus formele werkeloosheid is werkeloosheid die wat geregistreerd is.
  So formal unemployment is unemployment that is registered.

[14:41] Informele werkeloosheid, daar weten we het niet van.
  Informal unemployment, we don't know about that.

[14:45] Omzet, zeg ik eigenlijk altijd is het al het geld wat jij binnenkrijgt op een dag.
  Revenue, I always say, is all the money you receive in a day.

[14:48] We gaan niet kijken naar kosten.
  We are not going to look at costs.

[14:51] We gaan niet kijken naar winst.
  We are not going to look at profit.

[14:54] Je gaat gewoon kijken hoeveel heb ik in totaal binnengekregen.
  You just look at how much I have received in total.

[14:56] Nou, dezet is dus de afzet.
  Well, this is the sales.

[15:00] Dus het aantal stuks keer de verkoopprijs.
  So the number of units times the selling price.

[15:03] Afschrijving vinden een leerling een lastig begrip, want afschrijving denken de mensen een bankafschrift.
  Depreciation is a difficult concept for a student, because people think depreciation is a bank statement.

[15:07] Nou, dat is heel wat anders.
  Well, that is something completely different.

[15:09] Afschrijving is eigenlijk dus waardevermindering.
  Depreciation is actually a reduction in value.

[15:14] eigenlijk dus waardevermindering.
  actually depreciation.

[15:16] Nou, dan hebben we investeren.
  Well, then we have investing.

[15:18] Dat doen bedrijven.
  Companies do that.

[15:19] Eh als die bijvoorbeeld kapitaalgoederen, bijvoorbeeld machines ofzo kopen, dan doen ze dat met het doel
  Uh if they for example buy capital goods, for example machines or something, they do that with the aim

[15:21] om daar zelf beter van te worden.
  to benefit from it themselves.

[15:23] Om bijvoorbeeld meer productie te maken en daardoor bijvoorbeeld meer winst te maken.
  For example, to produce more and thereby make more profit.

[15:26] Dat is een investering.
  That is an investment.

[15:28] Dus eigenlijk als jouw ouders zeggen: "Investerend is wat meer tijden in je studie."
  So actually if your parents say: "Investing is a bit more time in your studies."

[15:30] Ja, dat leidt ook wel ergens toe.
  Yes, that also leads somewhere.

[15:33] Maar normaal gesproken een investering, dat doen bedrijven.
  But normally an investment, companies do that.

[15:37] Of je moet inderdaad zeggen: "We gaan investeren in bijvoorbeeld crypto."
  Or you have to indeed say: "We are going to invest in for example crypto."

[15:38] Dat kan, want je gaat daar zelf natuurlijk geld in stoppen om daar zelf beter van te worden.
  That is possible, because you will of course put money into it yourself to benefit from it yourself.

[15:44] Maatschappelijk verantwoord ondernemen, MVO zit er steeds vaker in.
  Socially responsible entrepreneurship, CSR is increasingly included.

[15:46] Is eigenlijk ondernemen met het oog op morgen.
  Is actually entrepreneurship with an eye on tomorrow.

[15:49] Je bent dus niet alleen maar bezig met vandaag en de winst van vandaag, maar je kan het ook voor morgen doen.
  So you are not just busy with today and today's profit, but you can also do it for tomorrow.

[15:51] Dus dan ga je iets beter alles ja, stroomlijnen zeg maar.
  So then you will streamline everything a bit better, let's say.

[15:52] Arbeidsproductiviteit is de productie per werknemer in een bepaalde tijd.
  Labor productivity is the production per employee in a certain period.

[16:03] Bijvoorbeeld in een uur, in een dag, in een week, in een maand of in een jaar.
  For example, in an hour, in a day, in a week, in a month, or in a year.

[16:05] Dan ga je dus kijken hoeveel kan één persoon maken?
  So you are going to look at how much one person can make?

[16:07] Productiekapaciteit is
  Production capacity is

[16:14] persoon maken? Productiekapaciteit is eigenlijk hoeveel kan een bedrijf
  person make? Production capacity is actually how much can a company

[16:16] eigenlijk hoeveel kan een bedrijf maximaal produceren. Capaciteit is ook
  actually how much can a company produce maximally. Capacity is also

[16:20] maximaal produceren. Capaciteit is ook wel een maximum. Transparante markt is
  produce maximally. Capacity is also a maximum. Transparent market is

[16:23] wel een maximum. Transparante markt is eigenlijk een markt waarbij de prijzen
  a maximum. Transparent market is actually a market where the prices

[16:24] eigenlijk een markt waarbij de prijzen goed te vergelijken zijn. Dus als jij
  actually a market where the prices are easy to compare. So if you

[16:27] goed te vergelijken zijn. Dus als jij informatie op internet enzo kan vinden,
  are easy to compare. So if you can find information on the internet and so on,

[16:28] informatie op internet enzo kan vinden, dan heb je een transparante markt.
  find information on the internet and so on, then you have a transparent market.

[16:30] dan heb je een transparante markt. Bijvoorbeeld bij auto's, bij occasions,
  then you have a transparent market. For example, with cars, with used cars,

[16:32] Bijvoorbeeld bij auto's, bij occasions, tweedehands auto's, is heel transparant,
  For example, with cars, with used cars, second-hand cars, is very transparent,

[16:34] tweedehands auto's, is heel transparant, want je kan precies kijken wat de auto's
  second-hand cars, is very transparent, because you can see exactly what the cars

[16:36] want je kan precies kijken wat de auto's kosten. Zijn ook minder transparante
  because you can see exactly what the cars cost. There are also less transparent

[16:38] kosten. Zijn ook minder transparante markten. Ja, dan weet je dus niet zo
  cost. There are also less transparent markets. Yes, then you don't really know

[16:40] markten. Ja, dan weet je dus niet zo goed wat de anderen doen en jouw
  markets. Yes, then you don't really know well what the others are doing and your

[16:41] goed wat de anderen doen en jouw concurrenten doen. Homogene goederen
  well what the others are doing and your competitors are doing. Homogeneous goods

[16:44] concurrenten doen. Homogene goederen zijn spullen waar weinig verschil aan te
  competitors are doing. Homogeneous goods are items where there is little difference

[16:46] zijn spullen waar weinig verschil aan te zien is. Oftewel bijvoorbeeld zout of eh
  items where there is little difference to be seen. Or for example salt or uh

[16:49] zien is. Oftewel bijvoorbeeld zout of eh komkommers. zijn homogene goederen.
  to be seen. Or for example salt or uh cucumbers. are homogeneous goods.

[16:51] komkommers. zijn homogene goederen. Mensen zien daar bijna geen verschil
  cucumbers. are homogeneous goods. People see almost no difference there

[16:52] tussen. Heterogene goederen, bijvoorbeeld kleding. Daar kan je echt
  between. Heterogeneous goods, for example clothing. You can really

[16:54] tussen. Heterogene goederen, bijvoorbeeld kleding. Daar kan je echt wel verschillen in zien.
  between. Heterogeneous goods, for example clothing. You can really see differences in them.

[16:57] wel verschillen in zien. Bijvoorbeeld in kleur of in samenstelling of in
  see differences. For example in color or in composition or in

[16:58] kleur of in samenstelling of in kwaliteit. Een kartel ken je misschien
  color or in composition or in quality. A cartel you might know

[17:00] kwaliteit. Een kartel ken je misschien wel van eh de series op Netflix en
  quality. A cartel you might know from uh the series on Netflix and

[17:02] wel van eh de series op Netflix en Videoland is eigenlijk dat er een
  know from uh the series on Netflix and Videoland is actually that a

[17:04] Videoland is eigenlijk dat er een groepje mensen bij elkaar komt, een
  Videoland is actually that a group of people come together, a

[17:06] groepje mensen bij elkaar komt, een groepje bedrijven die wat illegale
  group of people come together, a group of companies that some illegal

[17:08] groepje bedrijven die wat illegale prijsafspraken gaan maken. En als ze
  group of companies that are going to make some illegal price agreements. And if they

[17:10] prijsafspraken gaan maken. En als ze prijsafspraken worden gemaakt, dan is
  make price agreements. And when price agreements are made, then it is

[17:12] prijsafspraken worden gemaakt, dan is dat nooit dat ze minder gaan vragen. Dan
  price agreements are made, then it is never that they ask for less. Then

[17:14] dat nooit dat ze minder gaan vragen. Dan
  never that they ask for less. Then

[17:16] dat nooit dat ze minder gaan vragen.
  that never that they will ask less.

[17:16] Dan gaan ze altijd meer vragen.
  Then they will always ask for more.

[17:18] Dus daarom gaan ze altijd meer vragen.
  Therefore, they will always ask for more.

[17:18] Dus daarom is dat nadelig voor klanten.
  Therefore, that is disadvantageous for customers.

[17:21] is dat nadelig voor klanten.
  is that disadvantageous for customers.

[17:21] Een vacature is eigenlijk een baan waar ze iemand voor nodig hebben, oftewel waar ze nog niemand voor gevonden hebben.
  A vacancy is actually a job for which they need someone, or rather, for which they have not yet found anyone.

[17:23] vacature is eigenlijk een baan waar ze iemand voor nodig hebben, oftewel waar ze nog niemand voor gevonden hebben.
  vacancy is actually a job for which they need someone, or rather, for which they have not yet found anyone.

[17:25] iemand voor nodig hebben, oftewel waar ze nog niemand voor gevonden hebben.
  need someone for, or rather, for whom they have not yet found anyone.

[17:27] En een krappe arbeidsmarkt is eigenlijk dat de werkgever weinig keuze heeft voor nieuw personeel.
  And a tight labor market is actually that the employer has little choice for new personnel.

[17:29] een krappe arbeidsmarkt is eigenlijk dat de werkgever weinig keuze heeft voor nieuw personeel.
  a tight labor market is actually that the employer has little choice for new personnel.

[17:32] de werkgever weinig keuze heeft voor nieuw personeel.
  the employer has little choice for new personnel.

[17:32] Een krappe broek, daar zit heb je weinig ruimte in.
  A tight pair of pants, there you have little room.

[17:34] nieuw personeel.
  new personnel.

[17:34] Een krappe broek, daar zit heb je weinig ruimte in.
  A tight pair of pants, there you have little room.

[17:37] zit heb je weinig ruimte in.
  you have little room.

[17:37] Een ruime broek heb je veel ruimte in.
  A loose pair of pants has a lot of room.

[17:39] broek heb je veel ruimte in.
  pair of pants has a lot of room.

[17:39] Dus een krappe arbeidsmarkt dan heb je weinig mensen om te kiezen.
  So a tight labor market means you have few people to choose from.

[17:42] krappe arbeidsmarkt dan heb je weinig mensen om te kiezen.
  tight labor market means you have few people to choose from.

[17:45] mensen om te kiezen.
  people to choose from.

[17:45] Een krappe pool zeg maar.
  A tight pool, so to speak.

[17:47] maar.
  but.

[17:47] Gaan we kijken.
  Let's take a look.

[17:49] Accns vinden leerlingen een lastig begrip.
  Students find excise duties a difficult concept.

[17:51] een lastig begrip.
  a difficult concept.

[17:51] Je hebt bijvoorbeeld op sterke drank en tabak heb je belasting zitten, een btw zitten.
  For example, on spirits and tobacco, you have taxes, you have VAT.

[17:53] op sterke drank en tabak heb je belasting zitten, een btw zitten.
  on spirits and tobacco, you have taxes, you have VAT.

[17:56] belasting zitten, een btw zitten.
  you have taxes, you have VAT.

[17:56] En daar bovenop komt er als het ware nog een extra belasting en dat noemen ze dan de accs.
  And on top of that, there is, as it were, an extra tax, and they call that excise duties.

[17:57] daar bovenop komt er als het ware nog een extra belasting en dat noemen ze dan de accs.
  on top of that, there is, as it were, an extra tax, and they call that excise duties.

[18:00] de accs.
  excise duties.

[18:00] Dat is een soort extra belasting omdat het schadelijke producten zijn.
  That is a kind of extra tax because they are harmful products.

[18:02] Dat is een soort extra belasting omdat het schadelijke producten zijn.
  That is a kind of extra tax because they are harmful products.

[18:04] belasting omdat het schadelijke producten zijn.
  tax because they are harmful products.

[18:04] Een subsidie vinden leerlingen vaak een lastig begrip.
  Students often find a subsidy a difficult concept.

[18:06] producten zijn.
  products are.

[18:06] Een subsidie vinden leerlingen vaak een lastig begrip.
  Students often find a subsidy a difficult concept.

[18:08] leerlingen vaak een lastig begrip.
  students often find a difficult concept.

[18:08] Waarom?
  Why?

[18:10] Een subsidie is eigenlijk op het moment dat jij bijvoorbeeld zonnepanelen aanschaft, dan kan de overheid zeggen:
  A subsidy is actually when you, for example, purchase solar panels, then the government can say:

[18:12] moment dat jij bijvoorbeeld zonnepanelen aanschaft, dan kan de overheid zeggen:
  moment that you, for example, purchase solar panels, then the government can say:

[18:14] aanschaft, dan kan de overheid zeggen:
  purchase, then the government can say:

[18:14] "We willen jou zeg maar een financiële bijdrage geven omdat dat best duur is,
  "We want to give you, so to speak, a financial contribution because that is quite expensive,

[18:16] "We willen jou zeg maar een financiële bijdrage geven omdat dat best duur is,
  "We want to give you, so to speak, a financial contribution because that is quite expensive,

[18:18] bijdrage geven omdat dat best duur is, maar het is ook best goed voor het milieu.
  contribute because that is quite expensive, but it is also quite good for the environment.

[18:21] En daarom is de subsidie zeg maar kosten voor de overheid, maar op lange termijn hopen ze dat het ook wat op gaat leveren.
  And therefore the subsidy is, so to speak, costs for the government, but in the long term they hope that it will also yield something.

[18:25] Staatsschuld is eigenlijk de schuld van de Nederlandse overheid.
  National debt is actually the debt of the Dutch government.

[18:29] De overheid is natuurlijk die krijgen inkomsten en die hebben uitgaven.
  The government, of course, receives income and has expenses.

[18:33] En uiteindelijk als je meer uitgave hebt dan inkomsten moet je geld gaan lenen.
  And ultimately, if you have more expenses than income, you have to borrow money.

[18:37] En als je geld gaat lenen kan daar schuld ontstaan.
  And if you borrow money, debt can arise.

[18:42] Vergrijzing ook bijna ieder onderwerp, ieder examen eh aan bod.
  Aging is also covered in almost every topic, every exam.

[18:44] Vergrijzing is eigenlijk dat er in verhouding meer ouderen in het land komen dan jongeren.
  Aging is actually that there are proportionally more elderly people in the country than young people.

[18:48] Het brutoloon en het nettoloon wil eigenlijk zeggen het brutoloon is boven de streep.
  The gross wage and the net wage actually mean the gross wage is above the line.

[18:53] Ze wil zeggen bijvoorbeeld je krijgt €5000 brutoloon.
  It means, for example, you receive €5000 gross wage.

[18:58] Daar wordt €1.500 aan ingehouden bijvoorbeeld hè.
  For example, €1,500 is withheld from that.

[19:01] Dat gaat naar belastingen, dat gaat naar verzekeringen toe en dan is jouw nettooon wat jij op je betaalrekening krijgt of op jouw spaarrekening.
  That goes to taxes, that goes to insurance, and then your net wage is what you receive in your checking account or your savings account.

[19:11] Dus eigenlijk netto hebben we het over nivellering en
  So actually, net, we are talking about leveling and

[19:18] hebben we het over nivellering en denivellerering.
  we are talking about leveling and de-leveling.

[19:21] Nou, nivellering kan je onthouden dat de verschillen tussen arm en rijk in procenten in verhouding kleiner worden.
  Well, you can remember leveling that the differences between poor and rich in percentages in proportion become smaller.

[19:28] En denivellerering eigenlijk zeggen dat de verschillen groter worden.
  And de-leveling actually say that the differences become larger.

[19:32] Gaan we even kijken.
  Let's take a look.

[19:33] Hebben we er nog een paar?
  Do we have a few more?

[19:37] Import en export.
  Import and export.

[19:37] Importeren wil zeggen dat wij het vanuit buitenland naar Nederland halen.
  Importing means that we bring it from abroad to the Netherlands.

[19:41] Exporteren wil eigenlijk zeggen dat we het van Nederland naar bijvoorbeeld Amerika gaan verkopen.
  Exporting actually means that we are going to sell it from the Netherlands to, for example, America.

[19:47] We hebben de EMU.
  We have the EMU.

[19:47] Nou, de EMU zijn alle landen in de EU in de Europese Unie ook gebruik maken van de euro.
  Well, the EMU are all countries in the EU in the European Union also using the euro.

[19:53] EMU staat voor Europese monetaire Unie.
  EMU stands for European Monetary Union.

[19:56] En contingenteringen is eigenlijk wat Trump aan het doen is.
  And contingenting is actually what Trump is doing.

[19:59] Een maximum dat een land kan instellen voor de import van spullen uit het buitenland.
  A maximum that a country can set for the import of goods from abroad.

[20:05] Dus bijvoorbeeld Trump zegt: "Wij willen maximaal 100.000 auto's uit Nederland per jaar hier gaan verkopen."
  So, for example, Trump says: "We want to sell a maximum of 100,000 cars from the Netherlands here per year."

[20:13] Dat is een contingentering.
  That is a contingenting.

[20:15] Dat doen ze natuurlijk vooral instellen om de lokale bedrijven zeg maar tegemoet te komen, zodat zij
  They do that, of course, mainly to accommodate the local companies, so that they

[20:20] zeg maar tegemoet te komen, zodat zij meer kunnen gaan verkopen. Dat beperkt

[20:23] meer kunnen gaan verkopen. Dat beperkt dus de vrijhandel.

[20:26] dus de vrijhandel. Nou, nu gaan we inhoudelijk verder

[20:27] Nou, nu gaan we inhoudelijk verder kijken met deel 4. We gaan nu uitleg

[20:30] kijken met deel 4. We gaan nu uitleg geven over wat belangrijke begrippen met

[20:32] geven over wat belangrijke begrippen met wat voorbeeldvragen.

[20:34] wat voorbeeldvragen. Ik hoop dat je het nog een beetje kan

[20:35] Ik hoop dat je het nog een beetje kan volgen. Zorg ervoor dat je genoeg blijft

[20:37] volgen. Zorg ervoor dat je genoeg blijft eten en drinken. Want nogmaals, ik heb

[20:39] eten en drinken. Want nogmaals, ik heb het al gezegd, het wordt een lange zit,

[20:41] het al gezegd, het wordt een lange zit, maar ik ga jullie alles proberen uit te

[20:43] maar ik ga jullie alles proberen uit te leggen wat er in het examen zou kunnen

[20:45] leggen wat er in het examen zou kunnen komen. Het is natuurlijk altijd lastig

[20:46] komen. Het is natuurlijk altijd lastig om eigenlijk wat je in 2 jaar geleerd

[20:48] om eigenlijk wat je in 2 jaar geleerd hebt in één video te vangen. Dus

[20:50] hebt in één video te vangen. Dus hopelijk ben je erbij en ben je nog

[20:52] hopelijk ben je erbij en ben je nog lekker mee aan het schrijven. We gaan

[20:53] lekker mee aan het schrijven. We gaan het nu hebben over verschillende

[20:55] het nu hebben over verschillende onderwerpen die wat gaan voorkomen in

[20:57] onderwerpen die wat gaan voorkomen in jullie examen. Nou, wat moet je nu

[20:59] jullie examen. Nou, wat moet je nu weten? Het gaat over de overheid, de

[21:01] weten? Het gaat over de overheid, de rijksoverheid. Dat is dit logo wat ze

[21:03] rijksoverheid. Dat is dit logo wat ze daar vaak voor gebruiken. Wat moet je

[21:05] daar vaak voor gebruiken. Wat moet je weten? Eigenlijk verdeel ik eigenlijk

[21:07] weten? Eigenlijk verdeel ik eigenlijk het over de overheid van groot naar

[21:09] het over de overheid van groot naar klein. We hebben als eerste het grootste

[21:11] klein. We hebben als eerste het grootste is het rijk. En dat kan je kun je

[21:14] is het rijk. En dat kan je kun je misschien kennen van de eerste en van de

[21:15] misschien kennen van de eerste en van de tweede kamer. Die maken landelijke

[21:17] tweede kamer. Die maken landelijke beslissingen. Dus bijvoorbeeld hoe hard

[21:19] beslissingen. Dus bijvoorbeeld hoe hard dat je op een snelweg mag rijden, over

[21:21] dat je op een snelweg mag rijden, over de rechtsspraak, hoeveel immigratie dat

[21:23] de rechtsspraak, hoeveel immigratie dat er in een land mag zijn. Dat soort

[21:25] er in een land mag zijn. Dat soort landelijke thema's bespreken zij. Iets

[21:28] landelijke thema's bespreken zij. Iets kleiner is het waterschap en dat gaat

[21:30] kleiner is het waterschap en dat gaat over grote regionale beslissingen. Wat

[21:33] over grote regionale beslissingen. Wat bedoelen we daar nu eigenlijk mee? Het

[21:35] bedoelen we daar nu eigenlijk mee? Het waterschap dat gaat eigenlijk over het

[21:37] waterschap dat gaat eigenlijk over het stroomgebied van een rivier en over

[21:39] stroomgebied van een rivier en over bijvoorbeeld dingen zoals het

[21:40] bijvoorbeeld dingen zoals het drinkwater. Nou, je snapt natuurlijk als

[21:42] drinkwater. Nou, je snapt natuurlijk als we het over de Maas hebben, die stroomt

[21:44] we het over de Maas hebben, die stroomt niet in één provincie. Dus niet alleen

[21:46] niet in één provincie. Dus niet alleen in Limburg, maar ook in andere

[21:48] in Limburg, maar ook in andere provincies en soms zelfs in andere

[21:49] provincies en soms zelfs in andere landen. Dus die waterschappen die moeten

[21:52] landen. Dus die waterschappen die moeten daarvoor wel bij elkaar komen, maar die

[21:54] daarvoor wel bij elkaar komen, maar die moeten het ook bijvoorbeeld hebben over

[21:55] moeten het ook bijvoorbeeld hebben over hoe drinkwater gezuiverd moet worden

[21:57] hoe drinkwater gezuiverd moet worden enzovoort enzovoort. Zowel bij de Eerste

[22:00] enzovoort enzovoort. Zowel bij de Eerste Tweede Kamer zijn er verkiezingen als

[22:02] Tweede Kamer zijn er verkiezingen als ook voor de waterschappen zijn er ook

[22:03] ook voor de waterschappen zijn er ook verkiezingen. Iets kleiner is er dan de

[22:05] verkiezingen. Iets kleiner is er dan de provincie. Dus bijvoorbeeld de provincie

[22:07] provincie. Dus bijvoorbeeld de provincie Overrijsel, Zuid-Holland of Limburg. Die

[22:10] Overrijsel, Zuid-Holland of Limburg. Die maken regionale beslissingen. Dus

[22:12] maken regionale beslissingen. Dus bijvoorbeeld welke subsidies kennen we

[22:14] bijvoorbeeld welke subsidies kennen we toe? Subsidies is geld wat je

[22:16] toe? Subsidies is geld wat je bijvoorbeeld geeft aan poppodia,

[22:18] bijvoorbeeld geeft aan poppodia, cultuurprojecten eh bijvoorbeeld op hoe

[22:20] cultuurprojecten eh bijvoorbeeld op hoe hard dat je mag rijden op regionale

[22:22] hard dat je mag rijden op regionale wegen. Dat doet de provincie. Zijn ook

[22:24] wegen. Dat doet de provincie. Zijn ook aparte verkiezingen voor. noemen we

[22:26] aparte verkiezingen voor. noemen we namelijk provinciale staten. En als

[22:28] namelijk provinciale staten. En als laatste hebben we de gemeente, dat is

[22:30] laatste hebben we de gemeente, dat is het kleinste overheidsorgaan, het

[22:32] het kleinste overheidsorgaan, het bestuursorgaan. Die hebben ook eigen

[22:34] bestuursorgaan. Die hebben ook eigen verkiezingen. Dat noemen we namelijk de

[22:35] verkiezingen. Dat noemen we namelijk de gemeenteraadsverkiezingen. En die maken

[22:37] gemeenteraadsverkiezingen. En die maken kleine regionale beslissingen. Dus

[22:39] kleine regionale beslissingen. Dus bijvoorbeeld het afval in de gemeente,

[22:41] bijvoorbeeld het afval in de gemeente, hoe dat geregeld gaat worden.

[22:42] hoe dat geregeld gaat worden. Gemeentelijke belasting hebben we

[22:44] Gemeentelijke belasting hebben we bijvoorbeeld hondenbelasting, hebben we

[22:45] bijvoorbeeld hondenbelasting, hebben we toeristenbelasting. Zo ja, hoe hoog is

[22:47] toeristenbelasting. Zo ja, hoe hoog is die eh aanleggen van speeltuintjes, dat

[22:50] die eh aanleggen van speeltuintjes, dat soort dingen. Eigenlijk de kleinste

[22:52] soort dingen. Eigenlijk de kleinste bestuurlijke beslissingen die liggen bij

[22:53] bestuurlijke beslissingen die liggen bij de gemeente. Dus zo heb je de overheid

[22:56] de gemeente. Dus zo heb je de overheid in vier fases van groot naar klein. Nou,

[22:59] in vier fases van groot naar klein. Nou, vaak hebben we het ook over de functies

[23:01] vaak hebben we het ook over de functies van geld.

[23:03] van geld. Geld. We zien hier natuurlijk gartaal

[23:04] Geld. We zien hier natuurlijk gartaal geld, oftewel tastbaar geld. Geld kun je

[23:07] geld, oftewel tastbaar geld. Geld kun je gebruiken als ruilmiddel, rekenmiddel of

[23:09] gebruiken als ruilmiddel, rekenmiddel of als spaarmiddel. Nou, geld als

[23:11] als spaarmiddel. Nou, geld als ruilmiddel dat is eigenlijk dat je zegt:

[23:13] ruilmiddel dat is eigenlijk dat je zegt: "Ik ga het ruilen bijvoorbeeld tegen een

[23:15] "Ik ga het ruilen bijvoorbeeld tegen een product of tegen een dienst." Oftewel je

[23:16] product of tegen een dienst." Oftewel je koopt een PlayStation voor €500. Ik zeg

[23:20] koopt een PlayStation voor €500. Ik zeg maar even wat. Dan ruil je jouw geld

[23:21] maar even wat. Dan ruil je jouw geld tegen die PlayStation. Je kan er

[23:23] tegen die PlayStation. Je kan er natuurlijk ook mee rekenen. Dus

[23:25] natuurlijk ook mee rekenen. Dus bijvoorbeeld dan zeg je: "Ja, deze tafel

[23:27] bijvoorbeeld dan zeg je: "Ja, deze tafel is vier keer duurder dan deze stoel wat

[23:29] is vier keer duurder dan deze stoel wat hier staat." of dit bord is dubbel zo

[23:32] hier staat." of dit bord is dubbel zo duur als die tafel. Daar ga je er dus

[23:34] duur als die tafel. Daar ga je er dus eigenlijk mee vergelijken. Oftewel dan

[23:37] eigenlijk mee vergelijken. Oftewel dan ga je ermee rekenen. Lees daarbij goed

[23:39] ga je ermee rekenen. Lees daarbij goed de opgave. Of je kan het inzetten als

[23:42] de opgave. Of je kan het inzetten als spaarmiddel. En eigenlijk stel je de

[23:44] spaarmiddel. En eigenlijk stel je de consumptie oftewel de aankoop dan uit.

[23:46] consumptie oftewel de aankoop dan uit. Je gaat sparen om later iets duurs of

[23:49] Je gaat sparen om later iets duurs of iets moois daarvan te kunnen kopen.

[23:53] iets moois daarvan te kunnen kopen. Als we het dan hebben over behoeften,

[23:54] Als we het dan hebben over behoeften, dan kennen wij twee soorten behoeften.

[23:56] dan kennen wij twee soorten behoeften. We hebben primaire behoefte en we hebben

[23:58] We hebben primaire behoefte en we hebben secundaire behoefte. Nou, primaire

[24:00] secundaire behoefte. Nou, primaire behoeften, dat zijn eigenlijk de

[24:01] behoeften, dat zijn eigenlijk de basisbehoeffen die wat je nodig hebt om

[24:03] basisbehoeffen die wat je nodig hebt om te kunnen overleven. Dus eigenlijk

[24:05] te kunnen overleven. Dus eigenlijk voeding, kleding is wel handig, zorg en

[24:09] voeding, kleding is wel handig, zorg en een dag boven je hoofd. Dat zijn

[24:10] een dag boven je hoofd. Dat zijn primaire behoeften. Voor sommigen voelt

[24:12] primaire behoeften. Voor sommigen voelt het misschien alsof ze eh een telefoon

[24:15] het misschien alsof ze eh een telefoon moeten hebben als eh als primaire

[24:17] moeten hebben als eh als primaire behoefte, maar dat is het natuurlijk

[24:18] behoefte, maar dat is het natuurlijk niet zo. Secundaire behoefte zijn alle

[24:20] niet zo. Secundaire behoefte zijn alle overige behoefte die wat je kan hebben.

[24:22] overige behoefte die wat je kan hebben. Nu is het natuurlijk zo dat je die

[24:24] Nu is het natuurlijk zo dat je die behoefte wel kan hebben, maar daar heb

[24:26] behoefte wel kan hebben, maar daar heb je natuurlijk ook middelen voor nodig.

[24:28] je natuurlijk ook middelen voor nodig. Bijvoorbeeld tijd. geld of bezittingen.

[24:30] Bijvoorbeeld tijd. geld of bezittingen. Nou, je kan superveel in een dag willen,

[24:32] Nou, je kan superveel in een dag willen, maar een dag heeft maar 24 uur. Je kan

[24:35] maar een dag heeft maar 24 uur. Je kan een eh nieuw vliegtuig willen kopen,

[24:36] een eh nieuw vliegtuig willen kopen, maar dan is het natuurlijk het middel

[24:38] maar dan is het natuurlijk het middel geld dat daar een beslissende factor in

[24:39] geld dat daar een beslissende factor in speelt. Dus behoeften kunnen niet zomaar

[24:42] speelt. Dus behoeften kunnen niet zomaar vervuld gaan worden. Vaak heb je meer

[24:44] vervuld gaan worden. Vaak heb je meer behoefte dan middelen en dus daarom is

[24:47] behoefte dan middelen en dus daarom is het eh om keuzes belangrijk te maken,

[24:49] het eh om keuzes belangrijk te maken, dat is natuurlijk de basis van de

[24:51] dat is natuurlijk de basis van de economie, de leer van de keuzes.

[24:55] economie, de leer van de keuzes. Consumeren kom je dan natuurlijk

[24:56] Consumeren kom je dan natuurlijk automatisch op. Nou, wat is consumeren?

[24:59] automatisch op. Nou, wat is consumeren? Eigenlijk kan je natuurlijk zeggen: "Ik

[25:01] Eigenlijk kan je natuurlijk zeggen: "Ik ga dingen kopen." Nou, wat kan je dan

[25:03] ga dingen kopen." Nou, wat kan je dan kopen? We verdelen dat normaal gesproken

[25:04] kopen? We verdelen dat normaal gesproken in twee groepen. Je kan het spenderen

[25:07] in twee groepen. Je kan het spenderen aan goederen of je kan het spenderen aan

[25:09] aan goederen of je kan het spenderen aan diensten. Een goed is iets wat je kan

[25:12] diensten. Een goed is iets wat je kan aanraken. Dit bord is een goed, want je

[25:15] aanraken. Dit bord is een goed, want je kan het aanraken. Deze les kan je niet

[25:17] kan het aanraken. Deze les kan je niet aanraken. Dus dat is een dienst. Nou, de

[25:20] aanraken. Dus dat is een dienst. Nou, de kapper is natuurlijk ook een dienst. kan

[25:21] kapper is natuurlijk ook een dienst. kan de kapper misschien zelf wel aanraken,

[25:23] de kapper misschien zelf wel aanraken, maar de hè de haren die wordt geknipt,

[25:26] maar de hè de haren die wordt geknipt, dat is natuurlijk de dienst. En als

[25:28] dat is natuurlijk de dienst. En als laatste heb je dan ook nog sprake van

[25:30] laatste heb je dan ook nog sprake van zelfvoorziening. Want zelfvoorziening

[25:32] zelfvoorziening. Want zelfvoorziening betekent dus eigenlijk dat je zelf

[25:34] betekent dus eigenlijk dat je zelf dingen voor je eigen leven gaat maken.

[25:37] dingen voor je eigen leven gaat maken. Dus je behoefte is voorzien zonder

[25:39] Dus je behoefte is voorzien zonder externe hulp. Kan je bijvoorbeeld denken

[25:41] externe hulp. Kan je bijvoorbeeld denken aan als je zelf eh groente gaat telen in

[25:43] aan als je zelf eh groente gaat telen in de tuin bijvoorbeeld. Ja,

[25:47] de tuin bijvoorbeeld. Ja, marketing mix, dat noemen we ook wel de

[25:48] marketing mix, dat noemen we ook wel de zes p's. In sommige boeken staan vier

[25:50] zes p's. In sommige boeken staan vier p's. Er staan eh de laatste twee niet

[25:52] p's. Er staan eh de laatste twee niet bij. Ik leg hem altijd zo uitgebreid

[25:54] bij. Ik leg hem altijd zo uitgebreid mogelijk uit. De zes p's van de

[25:56] mogelijk uit. De zes p's van de marketing mix. P van product. Ga je het

[25:59] marketing mix. P van product. Ga je het vooral hebben over oké wat voor een

[26:00] vooral hebben over oké wat voor een soort product hebben we en welke

[26:02] soort product hebben we en welke eigenschappen heeft dat product? De P

[26:04] eigenschappen heeft dat product? De P van prijs. Ga je bijvoorbeeld kijken

[26:06] van prijs. Ga je bijvoorbeeld kijken naar wat kost het? Hoe is de

[26:07] naar wat kost het? Hoe is de prijsopbouw? Werken ze met kortingen en

[26:10] prijsopbouw? Werken ze met kortingen en dat soort dingen. De P van plaats is

[26:12] dat soort dingen. De P van plaats is waar kan je het product kopen? Heeft

[26:14] waar kan je het product kopen? Heeft bijvoorbeeld een winkel en waar zit die

[26:16] bijvoorbeeld een winkel en waar zit die winkel dan? In het stadscentrum of juist

[26:18] winkel dan? In het stadscentrum of juist niet? Dat is de P van plaats. De P van

[26:21] niet? Dat is de P van plaats. De P van promotie is eigenlijk hoe ga je het

[26:23] promotie is eigenlijk hoe ga je het product nou echt bekend maken bij de

[26:25] product nou echt bekend maken bij de mensen? Nou, dat zou bijvoorbeeld kunnen

[26:27] mensen? Nou, dat zou bijvoorbeeld kunnen zijn via reclames, maar dat kan weer

[26:28] zijn via reclames, maar dat kan weer zijn op televisie of op de radio of op

[26:31] zijn op televisie of op de radio of op internet. En daar spelen die keuzes

[26:33] internet. En daar spelen die keuzes natuurlijk weer een belangrijke rol bij.

[26:35] natuurlijk weer een belangrijke rol bij. De P van personeel is eigenlijk wat voor

[26:38] De P van personeel is eigenlijk wat voor een soort personeel heeft het bedrijf,

[26:40] een soort personeel heeft het bedrijf, hoe moeten die opgeleid zijn? Wat is de

[26:41] hoe moeten die opgeleid zijn? Wat is de gemiddelde leeftijd? Dat soort zaken. En

[26:44] gemiddelde leeftijd? Dat soort zaken. En dan hebben we de laatste P en dat is de

[26:45] dan hebben we de laatste P en dat is de P van presentatie. Hoe worden de

[26:47] P van presentatie. Hoe worden de producten of hoe wordt het merk

[26:49] producten of hoe wordt het merk gepresenteerd? Ja, dus bijvoorbeeld

[26:51] gepresenteerd? Ja, dus bijvoorbeeld welke verpakkingen werken ze en

[26:53] welke verpakkingen werken ze en dergelijke. Als je hier een opgave over

[26:55] dergelijke. Als je hier een opgave over gaat krijgen, dan zal je waarschijnlijk

[26:56] gaat krijgen, dan zal je waarschijnlijk die P's uit je hoofd moeten leren en

[26:59] die P's uit je hoofd moeten leren en moeten gaan toepassen.

[27:01] moeten gaan toepassen. De volgende zijn de soorten inkomens

[27:04] De volgende zijn de soorten inkomens weer primair en secundair. Primre

[27:07] weer primair en secundair. Primre inkomens zijn de inkomens uit arbeid en

[27:09] inkomens zijn de inkomens uit arbeid en de eh de inkomens uit bezit. Nou,

[27:13] de eh de inkomens uit bezit. Nou, inkomens uit arbeid is eigenlijk je

[27:15] inkomens uit arbeid is eigenlijk je salaris wat je krijgt. je winst wat je

[27:17] salaris wat je krijgt. je winst wat je kan maken met je bedrijf of loon in

[27:20] kan maken met je bedrijf of loon in Natura. Inkomen uit bezit is

[27:22] Natura. Inkomen uit bezit is bijvoorbeeld als je spaargeld hebt dan

[27:24] bijvoorbeeld als je spaargeld hebt dan kan je daar rente op ontvangen. Dividend

[27:26] kan je daar rente op ontvangen. Dividend heb ik al uitgelegd is als je aandelen

[27:28] heb ik al uitgelegd is als je aandelen hebt, je krijgt een deel van de winst.

[27:30] hebt, je krijgt een deel van de winst. Dat is natuurlijk ook inkomen. En

[27:32] Dat is natuurlijk ook inkomen. En huuropbrengsten. Als jij een pand hebt

[27:34] huuropbrengsten. Als jij een pand hebt dat je doet verhuren is dat ook inkomen.

[27:36] dat je doet verhuren is dat ook inkomen. Valt allemaal onder primair inkomen.

[27:39] Valt allemaal onder primair inkomen. Secundaire inkomens hebben ze het vaak

[27:41] Secundaire inkomens hebben ze het vaak over de overdrachtsinkomens.

[27:44] over de overdrachtsinkomens. Zo noem ik het zelf liever. Dus

[27:45] Zo noem ik het zelf liever. Dus overdrachtsinkomens is bijvoorbeeld een

[27:48] overdrachtsinkomens is bijvoorbeeld een uitkering. Het wordt overgedragen van de

[27:51] uitkering. Het wordt overgedragen van de mensen die werken naar de mensen die

[27:53] mensen die werken naar de mensen die niet werken. De overdrachten zijn

[27:55] niet werken. De overdrachten zijn bijvoorbeeld ook in de zorgverzekering

[27:57] bijvoorbeeld ook in de zorgverzekering de mensen inderdaad die wat gezond zijn

[27:59] de mensen inderdaad die wat gezond zijn betalen voor de mensen die minder gezond

[28:01] betalen voor de mensen die minder gezond zijn. Nou, dus die eh secundaire

[28:04] zijn. Nou, dus die eh secundaire inkomens, oftewel die

[28:05] inkomens, oftewel die overdrachtsinkomens,

[28:06] overdrachtsinkomens, daar hoef je op papier eigenlijk niks

[28:09] daar hoef je op papier eigenlijk niks voor te doen. Dan kan je natuurlijk wel

[28:11] voor te doen. Dan kan je natuurlijk wel zeggen: "Ja, maar als jij een uitkering

[28:12] zeggen: "Ja, maar als jij een uitkering wil hebben, dan moet je ook

[28:13] wil hebben, dan moet je ook solliciteren." Ja, dat klopt. Dat is wat

[28:15] solliciteren." Ja, dat klopt. Dat is wat er tegenover staat. Maar verder hoef je

[28:17] er tegenover staat. Maar verder hoef je er niks voor te doen. Ja, dus soms

[28:19] er niks voor te doen. Ja, dus soms zeggen ze inderdaad: "Overdrachtsinkomen

[28:21] zeggen ze inderdaad: "Overdrachtsinkomen is wel zakgeld wat je krijgt, maar dus

[28:23] is wel zakgeld wat je krijgt, maar dus niet zakgeld als je krij pas krijgt als

[28:26] niet zakgeld als je krij pas krijgt als je bijvoorbeeld vijf keer per week doet

[28:27] je bijvoorbeeld vijf keer per week doet afwassen ofzo. Want dan is het eigenlijk

[28:29] afwassen ofzo. Want dan is het eigenlijk meer een inkomen uit arbeid.

[28:31] meer een inkomen uit arbeid. Ehm eh productiefactoren en beloningen.

[28:35] Ehm eh productiefactoren en beloningen. Nou, dan gaan we naar de volgende slide

[28:36] Nou, dan gaan we naar de volgende slide toe. Nou, de productiefactoren. Wij

[28:38] toe. Nou, de productiefactoren. Wij kennen namelijk vier productiefactoren

[28:40] kennen namelijk vier productiefactoren en vijf beloningen. De K van kapitaal,

[28:43] en vijf beloningen. De K van kapitaal, de A van arbeid, de M van natuur en de O

[28:45] de A van arbeid, de M van natuur en de O van ondernemerschap.

[28:47] van ondernemerschap. Cano. K A N O. K van kapitaal betekent

[28:52] Cano. K A N O. K van kapitaal betekent dat je bijvoorbeeld heel veel spaargeld

[28:53] dat je bijvoorbeeld heel veel spaargeld hebt. Als je dat op de bank zet, dan kan

[28:56] hebt. Als je dat op de bank zet, dan kan je daar rente over krijgen. Dat is

[28:58] je daar rente over krijgen. Dat is inkomen. Kapitaal betekent ook

[29:01] inkomen. Kapitaal betekent ook bijvoorbeeld dat je heel veel auto's,

[29:02] bijvoorbeeld dat je heel veel auto's, heel veel machines, heel veel huizen

[29:03] heel veel machines, heel veel huizen hebt, dan kan je daar huur voor

[29:05] hebt, dan kan je daar huur voor ontvangen als je het doet uitlenen. D is

[29:07] ontvangen als je het doet uitlenen. D is inkomen. Loon naar werken, oftewel

[29:10] inkomen. Loon naar werken, oftewel salaris, mag je daar van mij ook wel bij

[29:12] salaris, mag je daar van mij ook wel bij zetten. De natuur. Als je een stuk grond

[29:15] zetten. De natuur. Als je een stuk grond hebt, dan kan je dat stuk grond

[29:16] hebt, dan kan je dat stuk grond verpachten. Bijvoorbeeld als een

[29:18] verpachten. Bijvoorbeeld als een festival georganiseerd wil worden, dan

[29:20] festival georganiseerd wil worden, dan kan je daar pacht voor vragen. Dan

[29:22] kan je daar pacht voor vragen. Dan noemen we dat geen huur van dat stukje

[29:23] noemen we dat geen huur van dat stukje grond, want dat is een pand wat je

[29:25] grond, want dat is een pand wat je verhuurt. Maar een stuk grond doe je ver

[29:27] verhuurt. Maar een stuk grond doe je ver pachten. En als laatste hebben we

[29:29] pachten. En als laatste hebben we ondernemerschap. Dat is het hebben van

[29:31] ondernemerschap. Dat is het hebben van een eigen bedrijfje. En de beloning

[29:33] een eigen bedrijfje. En de beloning daarvoor is dat je winst kan maken.

[29:35] daarvoor is dat je winst kan maken. Laten we dat dan maar even hopen.

[29:39] Laten we dat dan maar even hopen. Heb je inkomen uit kapitaal

[29:40] Heb je inkomen uit kapitaal [schraapt keel]

[29:41] [schraapt keel] of ondernemerschap of meerdere of zelfs

[29:43] of ondernemerschap of meerdere of zelfs allemaal, dan ontvang je een primair

[29:45] allemaal, dan ontvang je een primair inkomen. Heb je geen inkomen eh uit

[29:48] inkomen. Heb je geen inkomen eh uit kapitaal, arnatuur of ondernemerschap,

[29:50] kapitaal, arnatuur of ondernemerschap, cano, dan ontvang je een

[29:52] cano, dan ontvang je een overdrachtsinkomen,

[29:53] overdrachtsinkomen, een werkeloosheidsuitkering. Stel me

[29:55] een werkeloosheidsuitkering. Stel me even voor je kan geen werk vinden. Dan

[29:57] even voor je kan geen werk vinden. Dan kan je een werkloosheidsuitkering

[29:59] kan je een werkloosheidsuitkering krijgen en dan is dat een

[30:01] krijgen en dan is dat een overdrachtsinkomen. Je kan dus geen

[30:03] overdrachtsinkomen. Je kan dus geen werkeloosheidsinkomen

[30:04] werkeloosheidsinkomen ontvangen in principe als jij

[30:06] ontvangen in principe als jij bijvoorbeeld eh gewoon werkt of als jij

[30:08] bijvoorbeeld eh gewoon werkt of als jij bijvoorbeeld eh een eh paar huizen hebt,

[30:10] bijvoorbeeld eh een eh paar huizen hebt, maar je werkt op dat moment niet, want

[30:12] maar je werkt op dat moment niet, want dan gaat de belastingdienst of het UWV

[30:13] dan gaat de belastingdienst of het UWV gaat dan zeggen: "Ja, wacht eens even.

[30:15] gaat dan zeggen: "Ja, wacht eens even. Je hebt gewoon inkomsten, dus je hebt

[30:17] Je hebt gewoon inkomsten, dus je hebt geen recht daarop. Dat zou zomaar

[30:19] geen recht daarop. Dat zou zomaar kunnen."

[30:20] kunnen." Lorens Curve. Eigenlijk is de Lorens

[30:23] Lorens Curve. Eigenlijk is de Lorens curve niet eens heel moeilijk, maar je

[30:25] curve niet eens heel moeilijk, maar je moet hem leren om te begrijpen. Je ziet

[30:27] moet hem leren om te begrijpen. Je ziet hier een Lorens curve. Dat is als het

[30:29] hier een Lorens curve. Dat is als het ware die paarse lijn wat je hier ziet.

[30:32] ware die paarse lijn wat je hier ziet. Die groene lijn wil eigenlijk zeggen:

[30:34] Die groene lijn wil eigenlijk zeggen: Iedereen verdient evenveel. Dit noem ik

[30:37] Iedereen verdient evenveel. Dit noem ik ook in andere filmpjes en die zijn er

[30:38] ook in andere filmpjes en die zijn er genoeg op mijn kanaal. De buik van de

[30:40] genoeg op mijn kanaal. De buik van de Lorens curve. En wat wil de buik van de

[30:43] Lorens curve. En wat wil de buik van de Lorens curve nu eigenlijk zeggen? Des te

[30:45] Lorens curve nu eigenlijk zeggen? Des te groter de buik van de Lorens curve, des

[30:47] groter de buik van de Lorens curve, des te groter het verschil tussen arm en

[30:49] te groter het verschil tussen arm en rijk. Je moet hem eigenlijk zo zien. Je

[30:51] rijk. Je moet hem eigenlijk zo zien. Je gaat hier een percentage van het

[30:53] gaat hier een percentage van het inkomen. Dus 0% is geen inkomen, maar

[30:55] inkomen. Dus 0% is geen inkomen, maar 100% is al het inkomen. Je moet dit

[30:57] 100% is al het inkomen. Je moet dit eigenlijk zien als een soort taart. Nou,

[31:01] eigenlijk zien als een soort taart. Nou, nu is het natuurlijk zo dat als je nu eh

[31:03] nu is het natuurlijk zo dat als je nu eh 100 mensen hier op de gang hebt staan

[31:05] 100 mensen hier op de gang hebt staan die allemaal in de rij staan en je gaat

[31:06] die allemaal in de rij staan en je gaat die sorteren op basis van rijkdom van

[31:10] die sorteren op basis van rijkdom van inkomen bijvoorbeeld, dan ga je

[31:12] inkomen bijvoorbeeld, dan ga je bijvoorbeeld zeggen de eerste persoon

[31:14] bijvoorbeeld zeggen de eerste persoon die mag als eerste een stuk taart komen

[31:16] die mag als eerste een stuk taart komen pakken na gelang zijn inkomen is. Nou,

[31:19] pakken na gelang zijn inkomen is. Nou, die eerste persoon die zegt misschien:

[31:21] die eerste persoon die zegt misschien: "Nou, ik verdien 20% van de totale

[31:24] "Nou, ik verdien 20% van de totale taart." Dus dat wil zeggen de eerste

[31:26] taart." Dus dat wil zeggen de eerste persoon van 100, dus 1% komt binnen, die

[31:29] persoon van 100, dus 1% komt binnen, die pakt meteen 20% van die taart en die

[31:31] pakt meteen 20% van die taart en die gaat weer weg. Dat betekent dat voor die

[31:34] gaat weer weg. Dat betekent dat voor die andere 99%

[31:36] andere 99% dus nog maar 80% van de taart over is.

[31:39] dus nog maar 80% van de taart over is. Nou, dan komt de tweede rijkste persoon

[31:41] Nou, dan komt de tweede rijkste persoon en die zegt misschien: "Nou ja, hè, hij

[31:43] en die zegt misschien: "Nou ja, hè, hij had eh 20% gepakt, dan pak ik 10% want

[31:46] had eh 20% gepakt, dan pak ik 10% want dat verdien ik." Nou, dan hou je dus nog

[31:48] dat verdien ik." Nou, dan hou je dus nog maar 70% van de taart over en dan moet

[31:51] maar 70% van de taart over en dan moet nog 98 personen, oftewel 98% moeten nog

[31:54] nog 98 personen, oftewel 98% moeten nog een stukje taart krijgen. En je snapt

[31:56] een stukje taart krijgen. En je snapt natuurlijk als je helemaal achterin de

[31:57] natuurlijk als je helemaal achterin de rij staat, dan krijg je alleen nog maar

[31:59] rij staat, dan krijg je alleen nog maar kruimels. Dat is het verschil tussen arm

[32:02] kruimels. Dat is het verschil tussen arm en rijk. Nou, [snuift]

[32:03] en rijk. Nou, [snuift] op deze heb je op de horizontale as hier

[32:06] op deze heb je op de horizontale as hier arm staan en daar heb je rijk staan. Wat

[32:09] arm staan en daar heb je rijk staan. Wat zie je hier nu gebeuren? Bij die groene

[32:11] zie je hier nu gebeuren? Bij die groene lijn als je van links naar rechts gaat

[32:13] lijn als je van links naar rechts gaat dan heb je de armste 10%. En bij die

[32:16] dan heb je de armste 10%. En bij die groene lijn verdienen die 10% van het

[32:18] groene lijn verdienen die 10% van het inkomen. Dat is best eerlijk verdeeld.

[32:20] inkomen. Dat is best eerlijk verdeeld. Maar zo is het natuurlijk niet. Want bij

[32:22] Maar zo is het natuurlijk niet. Want bij de paarse lijn zie je dat de armste 10%

[32:26] de paarse lijn zie je dat de armste 10% dat die maar nou misschien 1 of 2% van

[32:29] dat die maar nou misschien 1 of 2% van de totale taart verdienen.

[32:32] de totale taart verdienen. De armse 20% die verdienen iets meer.

[32:36] De armse 20% die verdienen iets meer. Nou laat het eens even ongeveer 4 of 5%

[32:38] Nou laat het eens even ongeveer 4 of 5% zijn. De armse 30% die verdienen

[32:42] zijn. De armse 30% die verdienen misschien 9% van het inkomen. Nou, wat

[32:45] misschien 9% van het inkomen. Nou, wat kan je nou doen als je naar de armse 30%

[32:49] kan je nou doen als je naar de armse 30% kijkt? Als de armste 30% 9% van de taart

[32:53] kijkt? Als de armste 30% 9% van de taart krijgt, wil dat dus zeggen dat de

[32:55] krijgt, wil dat dus zeggen dat de rijkste 70%, want je moet totaal op 100

[32:58] rijkste 70%, want je moet totaal op 100 uitkomen, dat die de rest van de taart

[33:00] uitkomen, dat die de rest van de taart krijgen. Dus de armste 30% die verdienen

[33:03] krijgen. Dus de armste 30% die verdienen in totaal 9% van de taart. Dat wil

[33:06] in totaal 9% van de taart. Dat wil zeggen dat de rijkste 70% de rest

[33:09] zeggen dat de rijkste 70% de rest verdienen. Nou 100%- 9% is 91%.

[33:15] verdienen. Nou 100%- 9% is 91%. Nou gaan we eens even kijken op de helft

[33:17] Nou gaan we eens even kijken op de helft van dit land. Nou de armste 50% die

[33:20] van dit land. Nou de armste 50% die verdienen 20% van het inkomen. Dus de

[33:24] verdienen 20% van het inkomen. Dus de armste helft van dit land verdient 20%

[33:26] armste helft van dit land verdient 20% van de taart. Dat zie je hier hè. Armste

[33:29] van de taart. Dat zie je hier hè. Armste 50% en dan ga je omhoog en dan ga je zo

[33:32] 50% en dan ga je omhoog en dan ga je zo hem doortrekken 20%. Dat wil zeggen dat

[33:34] hem doortrekken 20%. Dat wil zeggen dat in dit land de rijkste helft die

[33:37] in dit land de rijkste helft die verdienen de rest. Nou, de armste helft

[33:40] verdienen de rest. Nou, de armste helft verdient 20% dan verdient de rijkste

[33:43] verdient 20% dan verdient de rijkste helft 80% van het inkomen. Samen

[33:47] helft 80% van het inkomen. Samen optellen moet je altijd op 100%

[33:50] optellen moet je altijd op 100% uitkomen. Dus dit mag je de buik of de

[33:53] uitkomen. Dus dit mag je de buik of de rug noemen. Maakt mij eigenlijk niet

[33:54] rug noemen. Maakt mij eigenlijk niet uit. Maar ik zeg des te groter dat deze

[33:57] uit. Maar ik zeg des te groter dat deze buik is, des te groter is het verschil

[34:01] buik is, des te groter is het verschil tussen arm en rijk. En des te kleiner

[34:04] tussen arm en rijk. En des te kleiner dat de buik is, des te kleiner het

[34:06] dat de buik is, des te kleiner het verschil. En als die op de groene lijn

[34:09] verschil. En als die op de groene lijn is, dan is er eigenlijk geen verschil.

[34:10] is, dan is er eigenlijk geen verschil. Want zie, wat zie je bij de groene lijn

[34:12] Want zie, wat zie je bij de groene lijn gebeuren? De armste 50% verdienen ook

[34:15] gebeuren? De armste 50% verdienen ook 50% van het inkomen. Het is dus

[34:19] 50% van het inkomen. Het is dus evenwichtig verdeeld. Dat is de

[34:21] evenwichtig verdeeld. Dat is de Lenskurve. Staan genoeg filmpjes op mijn

[34:23] Lenskurve. Staan genoeg filmpjes op mijn kanaal. Ook met economie in 5 minuten.

[34:27] kanaal. Ook met economie in 5 minuten. Nou, voorbeeldvraagje. Hoeveel procent

[34:29] Nou, voorbeeldvraagje. Hoeveel procent van het nationaal inkomen en weergegeven

[34:31] van het nationaal inkomen en weergegeven in lijn C wordt verdiend door de 20%

[34:34] in lijn C wordt verdiend door de 20% hoogste inkomensontvangers?

[34:37] hoogste inkomensontvangers? Nou, 20% hoogste inkomensontvangers,

[34:41] Nou, 20% hoogste inkomensontvangers, de rijkste 20%. Je weet, je mag dan ook

[34:44] de rijkste 20%. Je weet, je mag dan ook kijken naar de armste 80%. We moeten

[34:47] kijken naar de armste 80%. We moeten naar lijn C kijken. Dus wat zien we

[34:50] naar lijn C kijken. Dus wat zien we gebeuren? De armse 80%, we gaan van hier

[34:53] gebeuren? De armse 80%, we gaan van hier van 0 naar 80, die verdienen in totaal

[34:56] van 0 naar 80, die verdienen in totaal 60% zou je zeggen. Dus de armste 80% die

[35:00] 60% zou je zeggen. Dus de armste 80% die verdienen 60% van het inkomen. Dat wil

[35:05] verdienen 60% van het inkomen. Dat wil dus zeggen dat de rijk 20%

[35:08] dus zeggen dat de rijk 20% de rest verdienen. Dus dat zie je hier

[35:11] de rest verdienen. Dus dat zie je hier inderdaad hè, die hier begint die lijn.

[35:14] inderdaad hè, die hier begint die lijn. Die begint op 60 en die gaan naar 100.

[35:17] Die begint op 60 en die gaan naar 100. Dus de rijkste 20% verdienen van 60 tot

[35:22] Dus de rijkste 20% verdienen van 60 tot 100%. 100- 60% is 40%. Dus als ze vragen

[35:28] 100%. 100- 60% is 40%. Dus als ze vragen naar de rijkste 20% in dit geval, dan

[35:31] naar de rijkste 20% in dit geval, dan kan je ook kijken naar de armste en dan

[35:34] kan je ook kijken naar de armste en dan haal je dat eraf. Dat mag ook. Zijn

[35:36] haal je dat eraf. Dat mag ook. Zijn verschillende trucjes die wat je hiermee

[35:38] verschillende trucjes die wat je hiermee kan doen.

[35:41] kan doen. Antwoord is inderdaad B, dus 40%.

[35:45] Antwoord is inderdaad B, dus 40%. Nou, nog eentje even om goed te oefenen

[35:47] Nou, nog eentje even om goed te oefenen en dan ga ik jullie deze even in beeld

[35:49] en dan ga ik jullie deze even in beeld zetten en dan mag je daar zelf eens mee

[35:52] zetten en dan mag je daar zelf eens mee trainen.

[35:56] Nou, je hebt even kunnen oefenen.

[35:58] Nou, je hebt even kunnen oefenen. Hoeveel procent van het totale inkomen

[36:00] Hoeveel procent van het totale inkomen in het land worden verdiend door de

[36:01] in het land worden verdiend door de Aamse 40% van de bevolking? We weten Ase

[36:05] Aamse 40% van de bevolking? We weten Ase 40%, we beginnen bij nul, we gaan naar

[36:07] 40%, we beginnen bij nul, we gaan naar 40%, we gaan naar de rode lijn toe en

[36:09] 40%, we gaan naar de rode lijn toe en dat is 10% zoals je kan zien staan.

[36:12] dat is 10% zoals je kan zien staan. Hoeveel procenten van de totale inkomen

[36:14] Hoeveel procenten van de totale inkomen worden verdiend door de rijkse 20%?

[36:16] worden verdiend door de rijkse 20%? Rijkse 20% mag je dus ook kijken naar de

[36:19] Rijkse 20% mag je dus ook kijken naar de armste 80%. De armste 80% die verdienen

[36:23] armste 80%. De armste 80% die verdienen zoals je ziet 50% van het inkomen. Dat

[36:25] zoals je ziet 50% van het inkomen. Dat wil zeggen dat de rijk 20% de rest

[36:28] wil zeggen dat de rijk 20% de rest verdienen en dat is ook 50%. Nou, dan

[36:31] verdienen en dat is ook 50%. Nou, dan gaan we dan kijken. Nivelleren of

[36:34] gaan we dan kijken. Nivelleren of denivellereren. Nivellereren is dat het

[36:36] denivellereren. Nivellereren is dat het verschil kleiner gaat worden.

[36:38] verschil kleiner gaat worden. Denivelleren betekent dat het verschil

[36:40] Denivelleren betekent dat het verschil groter gaat worden. Nou, de overheid

[36:42] groter gaat worden. Nou, de overheid gaat de belasting voor de rijkere

[36:44] gaat de belasting voor de rijkere verhogen. Wat zou er dan gebeuren met de

[36:46] verhogen. Wat zou er dan gebeuren met de Lorens curve? Zou die gelijk blijven?

[36:49] Lorens curve? Zou die gelijk blijven? Verschuiven naar links, niet verleren of

[36:51] Verschuiven naar links, niet verleren of naar rechts? Nou, de rijkeren gaan meer

[36:54] naar rechts? Nou, de rijkeren gaan meer belasting betalen. Doordat de rijkeren

[36:56] belasting betalen. Doordat de rijkeren meer belasting gaan betalen, houden zij

[36:57] meer belasting gaan betalen, houden zij minder over. Daardoor wordt de kloof

[37:00] minder over. Daardoor wordt de kloof tussen arm en rijk dus kleiner. En als

[37:03] tussen arm en rijk dus kleiner. En als de kloof kleiner gaat worden, wordt de

[37:05] de kloof kleiner gaat worden, wordt de buik van de Lens curve ook kleiner. En

[37:07] buik van de Lens curve ook kleiner. En dan verschuift hij dus naar links. En

[37:09] dan verschuift hij dus naar links. En dan noemen we dat nivellereren. Dus hou

[37:12] dan noemen we dat nivellereren. Dus hou altijd bij de Lens curve in gedachten.

[37:14] altijd bij de Lens curve in gedachten. Je hebt hier de rug, je hebt de buik.

[37:16] Je hebt hier de rug, je hebt de buik. Een kleinere buik betekent minder

[37:18] Een kleinere buik betekent minder verschil tussen arm en tussen rijk. Dan

[37:22] verschil tussen arm en tussen rijk. Dan gaan we door naar de volgende.

[37:23] gaan we door naar de volgende. Koopkracht. Koopkracht is de hoeveelheid

[37:25] Koopkracht. Koopkracht is de hoeveelheid goederen en diensten die je met je

[37:27] goederen en diensten die je met je inkomen kunt kopen. Dit wordt bepaald

[37:29] inkomen kunt kopen. Dit wordt bepaald door twee dingen. Hoeveel dat je

[37:30] door twee dingen. Hoeveel dat je verdient en hoe hoogte de prijzen zijn.

[37:33] verdient en hoe hoogte de prijzen zijn. Als je inkomen stijgt en de prijzen

[37:34] Als je inkomen stijgt en de prijzen blijven gelijk, ja, dat stijgt jouw

[37:36] blijven gelijk, ja, dat stijgt jouw koopkracht natuurlijk. Als je meer gaat

[37:38] koopkracht natuurlijk. Als je meer gaat verdienen en de prijzen eh hè die eh die

[37:41] verdienen en de prijzen eh hè die eh die stijgen nog meer, dan daalt je

[37:43] stijgen nog meer, dan daalt je koopkracht. Nou, wanneer de prijzen in

[37:45] koopkracht. Nou, wanneer de prijzen in het algemeen stijgen, noemen we dat

[37:47] het algemeen stijgen, noemen we dat inflatie. Je kan dan voor hetzelfde

[37:49] inflatie. Je kan dan voor hetzelfde bedrag minder spullen kopen. En dat gaan

[37:51] bedrag minder spullen kopen. En dat gaan we op de volgende slide zien. Deze is

[37:53] we op de volgende slide zien. Deze is inderdaad van de NOS stories wat we

[37:54] inderdaad van de NOS stories wat we doen. We zien hier koopkracht staan.

[37:56] doen. We zien hier koopkracht staan. Nou, bij linkervoorbeeld ga je 7% meer

[37:59] Nou, bij linkervoorbeeld ga je 7% meer verdienen en de prijzen stijgen met 4%.

[38:02] verdienen en de prijzen stijgen met 4%. Dan ga je er dus 3% op vooruit. 7% extra

[38:06] Dan ga je er dus 3% op vooruit. 7% extra inkomen. Maar de prijzen stijgen ook met

[38:08] inkomen. Maar de prijzen stijgen ook met 4%. En rechts hebben we als je 4% meer

[38:11] 4%. En rechts hebben we als je 4% meer gaat verdienen, maar de prijzen stijgen

[38:13] gaat verdienen, maar de prijzen stijgen met 7% dan zie je hè deze is maar 4%

[38:17] met 7% dan zie je hè deze is maar 4% erbij, deze is 7% erbij. Dus dan daalt

[38:20] erbij, deze is 7% erbij. Dus dan daalt jouw koopkracht met 3%. Nou, duidelijker

[38:23] jouw koopkracht met 3%. Nou, duidelijker dan dit denk ik dat ik het niet kan

[38:25] dan dit denk ik dat ik het niet kan maken.

[38:27] maken. Heeft natuurlijk ook met inkomen te

[38:28] Heeft natuurlijk ook met inkomen te maken. We hebben nominaal reëel inkomen.

[38:30] maken. We hebben nominaal reëel inkomen. Nominaal is eigenlijk je letterlijke

[38:32] Nominaal is eigenlijk je letterlijke verdienste in euro's uitgedrukt. Dus dat

[38:34] verdienste in euro's uitgedrukt. Dus dat wil zeggen hoeveel krijg je? Ja, dus je

[38:37] wil zeggen hoeveel krijg je? Ja, dus je kan bijvoorbeeld zeggen nou hè, inkomen

[38:39] kan bijvoorbeeld zeggen nou hè, inkomen is €4000 nominaal. Maar het zegt er

[38:42] is €4000 nominaal. Maar het zegt er natuurlijk nog niks van wat je daar ook

[38:44] natuurlijk nog niks van wat je daar ook van kan kopen. Want je wil natuurlijk

[38:47] van kan kopen. Want je wil natuurlijk ook kijken: "Ja, maar wat is er dan met

[38:48] ook kijken: "Ja, maar wat is er dan met de prijzen gebeurd?" Als ik bijvoorbeeld

[38:50] de prijzen gebeurd?" Als ik bijvoorbeeld 4% meer ga verdienen nominaal is wel

[38:53] 4% meer ga verdienen nominaal is wel leuk, maar als de prijzen met 6%

[38:55] leuk, maar als de prijzen met 6% stijgen, dan ga ik er dus eigenlijk op

[38:57] stijgen, dan ga ik er dus eigenlijk op achteruit. En dat eigenlijk dat noemen

[38:59] achteruit. En dat eigenlijk dat noemen ze ook wel het reële inkomen. En dat is

[39:02] ze ook wel het reële inkomen. En dat is je inkomen als je rekening houdt met de

[39:03] je inkomen als je rekening houdt met de gevolgen van inflatie. oftewel het

[39:05] gevolgen van inflatie. oftewel het inkomen dat je ook echt uit kan geven

[39:08] inkomen dat je ook echt uit kan geven als het ware. Nou hè, de reële eh

[39:11] als het ware. Nou hè, de reële eh verandering in procenten is de nominale

[39:13] verandering in procenten is de nominale verandering in procenten min de inflatie

[39:16] verandering in procenten min de inflatie in procenten. Bijvoorbeeld je loon is 5%

[39:18] in procenten. Bijvoorbeeld je loon is 5% gestegen, inflatie van 3% dan is je

[39:21] gestegen, inflatie van 3% dan is je reële verandering 5- 3 = 2% oftewel je

[39:25] reële verandering 5- 3 = 2% oftewel je koopkracht is met 2% gestegen.

[39:29] koopkracht is met 2% gestegen. Moeilijk dit. Daarom zijn genoeg andere

[39:31] Moeilijk dit. Daarom zijn genoeg andere filmpjes voor op mijn kanaal.

[39:32] filmpjes voor op mijn kanaal. Indexcijfer. Eigenlijk zeggen we bij het

[39:34] Indexcijfer. Eigenlijk zeggen we bij het indexcijfer: basisjaar is eigenlijk

[39:37] indexcijfer: basisjaar is eigenlijk altijd 100. Oftewel 100%, maar we

[39:41] altijd 100. Oftewel 100%, maar we schrijven bij het indexcijfer geen

[39:42] schrijven bij het indexcijfer geen procententeken op. Let daarbij op. D is

[39:45] procententeken op. Let daarbij op. D is een soort verhoudingsgetal. Je kan

[39:47] een soort verhoudingsgetal. Je kan daardoor makkelijk vergelijken. Dit zijn

[39:49] daardoor makkelijk vergelijken. Dit zijn dus geen indexcijfers. Nee. Dus nieuw

[39:52] dus geen indexcijfers. Nee. Dus nieuw getal delen door het getal het basisjaar

[39:55] getal delen door het getal het basisjaar keer 100. Nou, in dit geval nemen we

[39:57] keer 100. Nou, in dit geval nemen we 2020 als basisjaar. Nou, dan zie je

[40:00] 2020 als basisjaar. Nou, dan zie je inderdaad indexcijfer is 100. 2020.

[40:03] inderdaad indexcijfer is 100. 2020. Bruto inkomen is 50.000. Die zetten we

[40:06] Bruto inkomen is 50.000. Die zetten we is 100. Nou, bereken dan de volgende

[40:08] is 100. Nou, bereken dan de volgende indexcijfers. Zal je waarschijnlijk gaan

[40:09] indexcijfers. Zal je waarschijnlijk gaan vragen. Nou, dan ga je kijken hè. De

[40:12] vragen. Nou, dan ga je kijken hè. De stijging is 5000.

[40:16] stijging is 5000. Als we een procentuele stijging of

[40:18] Als we een procentuele stijging of daling uitrekenen noemen we altijd nieuw

[40:20] daling uitrekenen noemen we altijd nieuw oud delen door oud. Dus 55 - 50 del

[40:24] oud delen door oud. Dus 55 - 50 del 50.000 is een stijging van 10%. Het

[40:28] 50.000 is een stijging van 10%. Het indexcijfer was 100. Er komt 10% bij.

[40:32] indexcijfer was 100. Er komt 10% bij. Dus het nieuwe indexcijfer is dan 110.

[40:36] Dus het nieuwe indexcijfer is dan 110. Nou, dan kan je natuurlijk het

[40:37] Nou, dan kan je natuurlijk het indexcijfer doe je altijd ten opzichte

[40:39] indexcijfer doe je altijd ten opzichte van het basisjaar. Dus bij deze zeg je

[40:42] van het basisjaar. Dus bij deze zeg je nieuw 58.000 min oud 50.000 delen op

[40:45] nieuw 58.000 min oud 50.000 delen op 50.000 is een stijging van 16%. Dus het

[40:49] 50.000 is een stijging van 16%. Dus het indexcijfer wordt dan 116.

[40:52] indexcijfer wordt dan 116. Bij deze is het interessanter, want daar

[40:56] Bij deze is het interessanter, want daar nieuw 46 - 50.000 del 50.000

[41:01] nieuw 46 - 50.000 del 50.000 kom je op een daling uit van 8%. De

[41:04] kom je op een daling uit van 8%. De basis is 100. Dus 100- 8% is 92%. Maar

[41:09] basis is 100. Dus 100- 8% is 92%. Maar nogmaals wij schrijven het

[41:12] nogmaals wij schrijven het procententeken niet op. Lijkt super

[41:15] procententeken niet op. Lijkt super moeilijk, is een stuk makkelijker dan je

[41:17] moeilijk, is een stuk makkelijker dan je denkt. Maar doe altijd nieuw out dan ga

[41:20] denkt. Maar doe altijd nieuw out dan ga je uitkomen.

[41:23] je uitkomen. Algemene informatie over het consumenten

[41:25] Algemene informatie over het consumenten prijsindexijfer

[41:27] prijsindexijfer en ik heb nog heel leven dus dat is

[41:28] en ik heb nog heel leven dus dat is goed.

[41:30] goed. Bereken dan van een stijging of daling

[41:31] Bereken dan van een stijging of daling het algemene prijsspijl. Nou dat wil dus

[41:34] het algemene prijsspijl. Nou dat wil dus eigenlijk zeg zeggen dat je dus gaat

[41:35] eigenlijk zeg zeggen dat je dus gaat kijken oké maar wat gebeurt er? Hè dat

[41:38] kijken oké maar wat gebeurt er? Hè dat hoor je op het nieuws wel heet. Het

[41:40] hoor je op het nieuws wel heet. Het leven is duurder geworden. Zijn twee

[41:42] leven is duurder geworden. Zijn twee soorten. Samengesteld ongewogen

[41:44] soorten. Samengesteld ongewogen prijsindex of samengesteld gewogen

[41:46] prijsindex of samengesteld gewogen prijsindex. Wordt gedaan door het CBS.

[41:49] prijsindex. Wordt gedaan door het CBS. Nou bijvoorbeeld hier inderdaad zeggen

[41:51] Nou bijvoorbeeld hier inderdaad zeggen ze nou wonen is 6,3% duurder geworden.

[41:54] ze nou wonen is 6,3% duurder geworden. Dus het indexcijfer is 106,3.

[41:57] Dus het indexcijfer is 106,3. Eten en drinken 4,5% duurder. Kleding

[41:59] Eten en drinken 4,5% duurder. Kleding 100 eh is 102 dus 2,1% duurder. En

[42:03] 100 eh is 102 dus 2,1% duurder. En vervoer is 103,9. Nou, dit is ongewogen.

[42:07] vervoer is 103,9. Nou, dit is ongewogen. Dus alle cijfers tellen even zwaar mee.

[42:10] Dus alle cijfers tellen even zwaar mee. Dus wat is de consumentenprijsindex?

[42:13] Dus wat is de consumentenprijsindex? Dan tel je die vier bij elkaar en deel

[42:15] Dan tel je die vier bij elkaar en deel je het door vier. Gaan we even kijken.

[42:18] je het door vier. Gaan we even kijken. Ja. En dan kom je dus uit op 104,2. Je

[42:20] Ja. En dan kom je dus uit op 104,2. Je kan die zelf die berekening kan je op je

[42:22] kan die zelf die berekening kan je op je rekenmachijntje natuurlijk doen. Maar

[42:24] rekenmachijntje natuurlijk doen. Maar natuurlijk hebben we ook een ongewogen

[42:26] natuurlijk hebben we ook een ongewogen prijsindex. Nou, gewicht ken je

[42:29] prijsindex. Nou, gewicht ken je misschien wel van jouw toetsen of jouw

[42:31] misschien wel van jouw toetsen of jouw rapporten. Die hebben een andere weging.

[42:33] rapporten. Die hebben een andere weging. Dus bijvoorbeeld de toetsen hoofdstuk

[42:34] Dus bijvoorbeeld de toetsen hoofdstuk één tot één keer mee. Ehm en dan heb je

[42:37] één tot één keer mee. Ehm en dan heb je zeg maar ehm en in deze is hij ongewogen

[42:40] zeg maar ehm en in deze is hij ongewogen omdat alle toetsen even zwaar meetellen.

[42:43] omdat alle toetsen even zwaar meetellen. Dus jouw gemiddelde kan je inderdaad

[42:45] Dus jouw gemiddelde kan je inderdaad deze allemaal optellen en dan deel je

[42:47] deze allemaal optellen en dan deel je die door het aantal. Maar als jij

[42:49] die door het aantal. Maar als jij hiermee gaat werken, dus andere

[42:51] hiermee gaat werken, dus andere wegingen, dus bijvoorbewerken tellen

[42:53] wegingen, dus bijvoorbewerken tellen twee of drie keer mee, ja, dan moet je

[42:55] twee of drie keer mee, ja, dan moet je natuurlijk anders gaan rekenen daarmee,

[42:57] natuurlijk anders gaan rekenen daarmee, want je doet 1 * 6 + 2 * 8 + 1 * 6,5 + 3

[43:01] want je doet 1 * 6 + 2 * 8 + 1 * 6,5 + 3 * 7. En dat deel je dan door 1 + 2 + 1 +

[43:06] * 7. En dat deel je dan door 1 + 2 + 1 + 3 = 7. En dan kom je op een ander

[43:08] 3 = 7. En dan kom je op een ander gemiddelde uit. Dit is een gewogen

[43:11] gemiddelde uit. Dit is een gewogen prijsindex. Even heel basic hè, dus wat

[43:13] prijsindex. Even heel basic hè, dus wat het verschil tussen gewogen en ongewogen

[43:15] het verschil tussen gewogen en ongewogen is. Ongewogen is dus eigenlijk als alles

[43:18] is. Ongewogen is dus eigenlijk als alles even zwaar meetelt en gewogen is er als

[43:20] even zwaar meetelt en gewogen is er als een gewicht aan zit. Nou bijvoorbeeld

[43:22] een gewicht aan zit. Nou bijvoorbeeld hier zie je staan inderdaad het

[43:24] hier zie je staan inderdaad het indexcijfer hè. Wonen is 106,3 telt voor

[43:27] indexcijfer hè. Wonen is 106,3 telt voor 40% mee of die 4,5 telt voor 30% mee. En

[43:31] 40% mee of die 4,5 telt voor 30% mee. En dan kan je natuurlijk op basis daarvan

[43:33] dan kan je natuurlijk op basis daarvan de weging keer het indexcijfer doen. Dus

[43:36] de weging keer het indexcijfer doen. Dus de weging is 40. Dit is het indexcijfer.

[43:38] de weging is 40. Dit is het indexcijfer. Vermenigvuldigen met elkaar en dan tel

[43:40] Vermenigvuldigen met elkaar en dan tel je ze bij elkaar op.

[43:42] je ze bij elkaar op. kom je uit op 100 eh eh 10.461

[43:45] kom je uit op 100 eh eh 10.461 en dan moet je dat natuurlijk nog delen

[43:47] en dan moet je dat natuurlijk nog delen door 100. Nou ja, zoals jullie zien ben

[43:50] door 100. Nou ja, zoals jullie zien ben ik even van outfit en ook van lokaal

[43:52] ik even van outfit en ook van lokaal gewisseld. Hopelijk heb jij zelf ook

[43:54] gewisseld. Hopelijk heb jij zelf ook even een pauze genomen, want het is tijd

[43:56] even een pauze genomen, want het is tijd om door te gaan met het volgende

[43:57] om door te gaan met het volgende onderdeel. We gaan namelijk kijken naar

[43:59] onderdeel. We gaan namelijk kijken naar de rechtsvormen. Als je een bedrijf wil

[44:01] de rechtsvormen. Als je een bedrijf wil starten, dan moet je namelijk een

[44:02] starten, dan moet je namelijk een ondernemingsplan schrijven. En bij dat

[44:04] ondernemingsplan schrijven. En bij dat ondernemingsplan is de keuze voor een

[44:06] ondernemingsplan is de keuze voor een rechtsvorm erg belangrijk. Nou, dat

[44:08] rechtsvorm erg belangrijk. Nou, dat ondernemingsplan ga je denk ik inleveren

[44:09] ondernemingsplan ga je denk ik inleveren bij de Kamer van Koophandel. Die

[44:12] bij de Kamer van Koophandel. Die rechtsvorm, daar kan je eigenlijk tussen

[44:14] rechtsvorm, daar kan je eigenlijk tussen zes vormen kiezen. Het zijn er iets

[44:15] zes vormen kiezen. Het zijn er iets meer, maar jullie moeten er zes weten.

[44:17] meer, maar jullie moeten er zes weten. Ik verdeel ze eigenlijk altijd in drie

[44:19] Ik verdeel ze eigenlijk altijd in drie categorieën. De kleine bedrijven, de

[44:21] categorieën. De kleine bedrijven, de midden en de grote bedrijven en de niet

[44:22] midden en de grote bedrijven en de niet commerciële bedrijven. Het begrip

[44:24] commerciële bedrijven. Het begrip commercieel hebben we al eerder

[44:25] commercieel hebben we al eerder uitgelegd. Dat is niet op winst gericht.

[44:28] uitgelegd. Dat is niet op winst gericht. Voor de kleine bedrijven die kiezen

[44:29] Voor de kleine bedrijven die kiezen meestal tussen de eenmanszaak en de

[44:31] meestal tussen de eenmanszaak en de Vendschap onder firma. Het verschil

[44:33] Vendschap onder firma. Het verschil daussen is dat een eenmanszaak één

[44:35] daussen is dat een eenmanszaak één eigenaar heeft en een venotschap onder

[44:37] eigenaar heeft en een venotschap onder firma heeft er tw vier of vif een paar

[44:40] firma heeft er tw vier of vif een paar zeg maar niet heel erg veel. Allebei de

[44:43] zeg maar niet heel erg veel. Allebei de eenmanszaak en de VOF zijn privé

[44:45] eenmanszaak en de VOF zijn privé aanspraak. Dat wil zeggen als het

[44:47] aanspraak. Dat wil zeggen als het bedrijf failliet gaat dan moeten zij

[44:50] bedrijf failliet gaat dan moeten zij zelf de schulden betalen eventueel ook

[44:52] zelf de schulden betalen eventueel ook vanuit hun privévermogen. Dus als jij

[44:55] vanuit hun privévermogen. Dus als jij een eenmanszaker ben je gaat failliet,

[44:56] een eenmanszaker ben je gaat failliet, dat wil eigenlijk zeggen dat je de

[44:57] dat wil eigenlijk zeggen dat je de schulden niet meer kan terugbetalen. Dan

[44:59] schulden niet meer kan terugbetalen. Dan kan het dus zo zijn dat ze zeggen: "Oké,

[45:01] kan het dus zo zijn dat ze zeggen: "Oké, weet je wat? Je hebt geen geld meer in

[45:02] weet je wat? Je hebt geen geld meer in het bedrijf zitten, maar je hebt wel nog

[45:04] het bedrijf zitten, maar je hebt wel nog spaargeld of een auto staan, dan gaan we

[45:06] spaargeld of een auto staan, dan gaan we die verkopen om vervolgens die schulden

[45:08] die verkopen om vervolgens die schulden te voldoen. De midden en de grote

[45:10] te voldoen. De midden en de grote bedrijven, dat verdelen we meestal

[45:12] bedrijven, dat verdelen we meestal tussen de besloten venoodschap en de

[45:14] tussen de besloten venoodschap en de naamloze venoodschap. Wat is nu het

[45:16] naamloze venoodschap. Wat is nu het verschil? Nee, de overeenkomst begin ik

[45:18] verschil? Nee, de overeenkomst begin ik even mee. De overeenkomst is de

[45:20] even mee. De overeenkomst is de eigenaren van de midden en de grote

[45:21] eigenaren van de midden en de grote bedrijven, de BV en de NV zijn de

[45:24] bedrijven, de BV en de NV zijn de aandeelhouders. Op het moment dat jij

[45:25] aandeelhouders. Op het moment dat jij een aandeel koopt van een bedrijf, dan

[45:27] een aandeel koopt van een bedrijf, dan ben je dus ook medeigenaar. Nou, bij een

[45:29] ben je dus ook medeigenaar. Nou, bij een BV en een MV is dat allebei zo. Het

[45:32] BV en een MV is dat allebei zo. Het verschil is dat bij een BV zijn al die

[45:35] verschil is dat bij een BV zijn al die aandeelhouders in een register

[45:37] aandeelhouders in een register opgeschreven. Dus die worden heel goed

[45:38] opgeschreven. Dus die worden heel goed bijgehouden wie dat is. Bij een naamloze

[45:41] bijgehouden wie dat is. Bij een naamloze venotschap daar hebben de aandeelhouders

[45:42] venotschap daar hebben de aandeelhouders eigenlijk dus geen naam. Dus daar staat

[45:45] eigenlijk dus geen naam. Dus daar staat daar kan je het niet verwerken. Nou, je

[45:46] daar kan je het niet verwerken. Nou, je snapt natuurlijk als jij miljoenen

[45:48] snapt natuurlijk als jij miljoenen aandeelhouders hebt bijvoorbeeld zoals

[45:50] aandeelhouders hebt bijvoorbeeld zoals eh Apple ofzo, eh dan kan jij niet

[45:52] eh Apple ofzo, eh dan kan jij niet bijhouden wie allemaal die

[45:54] bijhouden wie allemaal die aandeelhouders zijn, omdat het ook heel

[45:55] aandeelhouders zijn, omdat het ook heel snel gaat. Je kan binnen een seconde

[45:57] snel gaat. Je kan binnen een seconde kopen en je kan binnen een seconde

[45:58] kopen en je kan binnen een seconde verkopen. Daarom heeft het geen zin om

[46:00] verkopen. Daarom heeft het geen zin om bij de naamloze vendorschap dat allemaal

[46:02] bij de naamloze vendorschap dat allemaal bij te houden. Voor de rest is het zo

[46:04] bij te houden. Voor de rest is het zo dat deze bedrijven niet privé

[46:06] dat deze bedrijven niet privé aansprakelijk zijn. Dus als een BV of

[46:08] aansprakelijk zijn. Dus als een BV of een NV failliet gaat, dan wil eigenlijk

[46:11] een NV failliet gaat, dan wil eigenlijk gewoon zeggen dat eh het bedrijf van de

[46:13] gewoon zeggen dat eh het bedrijf van de schulden betaalt, blijven er dan

[46:14] schulden betaalt, blijven er dan schulden over, dan hebben de

[46:15] schulden over, dan hebben de schuldeisterers pech gehad. niet

[46:18] schuldeisterers pech gehad. niet commercieel, oftewel niet op winst

[46:20] commercieel, oftewel niet op winst gericht. Dat zijn de stichtingen en de

[46:22] gericht. Dat zijn de stichtingen en de vereniging. Nou, denk maar bijvoorbeeld

[46:24] vereniging. Nou, denk maar bijvoorbeeld aan eh de stichting waar jij op school

[46:25] aan eh de stichting waar jij op school zit. Vaak zijn dat stichtingen. Dat kan

[46:27] zit. Vaak zijn dat stichtingen. Dat kan ook bijvoorbeeld de voetbalvereniging

[46:29] ook bijvoorbeeld de voetbalvereniging zijn waar jij eh bij doet voetballen.

[46:31] zijn waar jij eh bij doet voetballen. Die moeten zich wel inschrijven bij de

[46:33] Die moeten zich wel inschrijven bij de Kamer van Koophandel, maar die zijn dus

[46:35] Kamer van Koophandel, maar die zijn dus niet op winst gericht. Betekent

[46:37] niet op winst gericht. Betekent overigens niet dat zij geen winst mogen

[46:39] overigens niet dat zij geen winst mogen maken. Zij mogen wel winst maken. Alleen

[46:41] maken. Zij mogen wel winst maken. Alleen niet iemand mag daar beter van worden.

[46:43] niet iemand mag daar beter van worden. Dus niet de directeur van de stichting

[46:45] Dus niet de directeur van de stichting ofzo die denkt: "Oh, we hebben winst

[46:46] ofzo die denkt: "Oh, we hebben winst gemaakt. Dan heb ik voor mezelf wat meer

[46:49] gemaakt. Dan heb ik voor mezelf wat meer geld." Nou, als we dat dan in een schema

[46:51] geld." Nou, als we dat dan in een schema kijken, dan mag hier meekijken. Je ziet

[46:53] kijken, dan mag hier meekijken. Je ziet het aantal eigenaren staan. Je ziet

[46:54] het aantal eigenaren staan. Je ziet privé aansprakelijk staan. Vereniging

[46:57] privé aansprakelijk staan. Vereniging staat er dan niet bij, maar die lijkt

[46:58] staat er dan niet bij, maar die lijkt heel veel op een stichting. We hebben

[47:00] heel veel op een stichting. We hebben het over aandelen en we hebben het over

[47:02] het over aandelen en we hebben het over een soort belasting. Die wat er is. Nou,

[47:04] een soort belasting. Die wat er is. Nou, nogmaals, de presentatie valt te

[47:05] nogmaals, de presentatie valt te downloaden. Dan kan je dit rustig

[47:07] downloaden. Dan kan je dit rustig bekijken. Rechtsvormen. Vaak zal je dit

[47:10] bekijken. Rechtsvormen. Vaak zal je dit moeten gaan toepassen.

[47:12] moeten gaan toepassen. Bijvoorbeeld zoals hier. Ali heeft zijn

[47:14] Bijvoorbeeld zoals hier. Ali heeft zijn met zijn eh vader een bouwbedrijf. Ali

[47:16] met zijn eh vader een bouwbedrijf. Ali en Koos doen voorbouwingen aan de

[47:17] en Koos doen voorbouwingen aan de bestaande woning en bedrijfspanden.

[47:19] bestaande woning en bedrijfspanden. Nadat Ali zijn opleiding had afgerond,

[47:21] Nadat Ali zijn opleiding had afgerond, kwam hij bij zijn vader in de zaak als

[47:23] kwam hij bij zijn vader in de zaak als medeigenaar.

[47:25] medeigenaar. Ali en zijn vader zijn beide eigenaar

[47:27] Ali en zijn vader zijn beide eigenaar van het bedrijf. Aan het eind van het

[47:29] van het bedrijf. Aan het eind van het jaar verdelen ze de winst. Over deze

[47:31] jaar verdelen ze de winst. Over deze winst betalen ze bij de

[47:32] winst betalen ze bij de inkomstenbelasting. Nou en als je nu dit

[47:34] inkomstenbelasting. Nou en als je nu dit had geleerd, dan zie je dat de

[47:36] had geleerd, dan zie je dat de inkomstenbelasting

[47:37] inkomstenbelasting alleen maar bij de eenmanszaak of bij de

[47:40] alleen maar bij de eenmanszaak of bij de VOF staat. Ja. Ehm welke

[47:43] VOF staat. Ja. Ehm welke ondernemingsvorm hebben Ali en Co. Nou,

[47:45] ondernemingsvorm hebben Ali en Co. Nou, dan zou je natuurlijk moeten zeggen een

[47:46] dan zou je natuurlijk moeten zeggen een BV of een NV die vallen sowieso af. Het

[47:49] BV of een NV die vallen sowieso af. Het heeft namelijk niet over n eh over

[47:50] heeft namelijk niet over n eh over aandelen gegaan. Een stichting valt

[47:53] aandelen gegaan. Een stichting valt eigenlijk al af, want het is een

[47:54] eigenlijk al af, want het is een commercieel bedrijf. Dus dan moet het

[47:56] commercieel bedrijf. Dus dan moet het antwoord D wel zijn. Het was een iets

[47:58] antwoord D wel zijn. Het was een iets lastigere vraag geweest als de

[47:59] lastigere vraag geweest als de eenmanszaak erbij had gestaan, maar dan

[48:02] eenmanszaak erbij had gestaan, maar dan had je gezegd: "Hey, hij is medeigenaar

[48:04] had je gezegd: "Hey, hij is medeigenaar en daarom gaat die niet op." Nou, het

[48:07] en daarom gaat die niet op." Nou, het antwoord is dus zoals gezegd antwoord D.

[48:11] antwoord is dus zoals gezegd antwoord D. Maak van onderzen eh zinnen een

[48:13] Maak van onderzen eh zinnen een economisch juist. Tekst 1 en 2. Nou,

[48:15] economisch juist. Tekst 1 en 2. Nou, toen ik 24 jaar was als zelfstandige

[48:17] toen ik 24 jaar was als zelfstandige ondernemer, een eigen bedrijf, daarom

[48:18] ondernemer, een eigen bedrijf, daarom heb ik gekozen voor de eh voor de

[48:21] heb ik gekozen voor de eh voor de ondernemingsvorm. Nou, dat zal dan

[48:23] ondernemingsvorm. Nou, dat zal dan waarschijnlijk eh eenmanszaak zijn, want

[48:25] waarschijnlijk eh eenmanszaak zijn, want hij is zelfstandig ondernemer. Door die

[48:27] hij is zelfstandig ondernemer. Door die keuze ben ik wel aansprakelijk voor

[48:30] keuze ben ik wel aansprakelijk voor zakelijke schulden met mijn

[48:32] zakelijke schulden met mijn privévermogen. Zoals net uitgelegd, als

[48:34] privévermogen. Zoals net uitgelegd, als je een eenmanszaak hebt, dan ben je

[48:36] je een eenmanszaak hebt, dan ben je aansprakelijk met je privévermogen. Dus

[48:38] aansprakelijk met je privévermogen. Dus het antwoord is eenmanszaak en nog wel

[48:42] het antwoord is eenmanszaak en nog wel allebei de antwoorden toch weer goed.

[48:43] allebei de antwoorden toch weer goed. Dus zo zie je hoe die vragen dan toch

[48:46] Dus zo zie je hoe die vragen dan toch terugkomen. Dan gaan we door naar het

[48:48] terugkomen. Dan gaan we door naar het volgende onderwerp en dat is

[48:49] volgende onderwerp en dat is maatschappelijk verantwoord ondernemen.

[48:50] maatschappelijk verantwoord ondernemen. maatschappelijk van tot ondernemer zeg

[48:52] maatschappelijk van tot ondernemer zeg ik eigenlijk altijd dan ben je bezig

[48:54] ik eigenlijk altijd dan ben je bezig niet alleen met vandaag en de winst van

[48:55] niet alleen met vandaag en de winst van vandaag maar vooral met morgen. Dus

[48:58] vandaag maar vooral met morgen. Dus bedrijfhouden bij de productie en het

[49:00] bedrijfhouden bij de productie en het maken van winstrekening met de gevolgen

[49:02] maken van winstrekening met de gevolgen voor mensen, dieren, natuur en milieu.

[49:04] voor mensen, dieren, natuur en milieu. Nou, wat ze wat kunnen ze dan voor

[49:06] Nou, wat ze wat kunnen ze dan voor opgaves doen? Nou, bijvoorbeeld wat kan

[49:08] opgaves doen? Nou, bijvoorbeeld wat kan jij als bedrijf doen om eh

[49:10] jij als bedrijf doen om eh maatschappelijk verantwoord te

[49:11] maatschappelijk verantwoord te ondernemen? Nou, denk maar eens

[49:13] ondernemen? Nou, denk maar eens bijvoorbeeld aan het recyclen van

[49:14] bijvoorbeeld aan het recyclen van spullen of bijvoorbeeld dubbelzijdig

[49:16] spullen of bijvoorbeeld dubbelzijdig afdrukken. Ehm nou eh weinig CO2 uitsto

[49:20] afdrukken. Ehm nou eh weinig CO2 uitsto uitstoot of geen CO2 uitstoot. Duurzame

[49:23] uitstoot of geen CO2 uitstoot. Duurzame materialen gebruiken, bijvoorbeeld geen

[49:25] materialen gebruiken, bijvoorbeeld geen of minder plastic. Dat is allemaal dat

[49:27] of minder plastic. Dat is allemaal dat je bezig bent met morgen, want het is

[49:30] je bezig bent met morgen, want het is natuurlijk goedkoper om met plastic te

[49:31] natuurlijk goedkoper om met plastic te werken, maar het is ook slechter voor

[49:33] werken, maar het is ook slechter voor het milieu. Ja, dus we willen vooral in

[49:36] het milieu. Ja, dus we willen vooral in de toekomst nog een fatsoenlijke wereld

[49:38] de toekomst nog een fatsoenlijke wereld hebben. Nou, dat is maatschappelijk

[49:39] hebben. Nou, dat is maatschappelijk verantwoord ondernemen. Wat voor een

[49:41] verantwoord ondernemen. Wat voor een vraag hoort daar dan bij? Eh hij heeft

[49:44] vraag hoort daar dan bij? Eh hij heeft niet alleen de jury overtuigd met de

[49:45] niet alleen de jury overtuigd met de kwaliteiten van zijn handdoeken, maar

[49:47] kwaliteiten van zijn handdoeken, maar ook een goed verhaal. Produceren van

[49:49] ook een goed verhaal. Produceren van nieuwe garens eh uit de oude Kledingstad

[49:51] nieuwe garens eh uit de oude Kledingstad Centraal in het ondernemingsplan waarmee

[49:52] Centraal in het ondernemingsplan waarmee Erik de prijs gewonnen heeft. Welk

[49:54] Erik de prijs gewonnen heeft. Welk begrip uit het ingediende

[49:56] begrip uit het ingediende ondernemingsplan past best bij

[49:58] ondernemingsplan past best bij maatschappelijk eh verantwoord

[50:00] maatschappelijk eh verantwoord ondernemen? Nou eh grondstoffoverschot,

[50:02] ondernemen? Nou eh grondstoffoverschot, hergebruik grondstoffen. Is dat

[50:04] hergebruik grondstoffen. Is dat imagoordelen of is dat een stijgende

[50:06] imagoordelen of is dat een stijgende klantenvraag? Nou, maatschappelijk

[50:08] klantenvraag? Nou, maatschappelijk verantwoord ondernemen. En dit is dat

[50:10] verantwoord ondernemen. En dit is dat hij garens uit oude kleding gaat

[50:12] hij garens uit oude kleding gaat gebruiken. Dus ik zou zeggen antwoord B.

[50:14] gebruiken. Dus ik zou zeggen antwoord B. Gaan we kijken of dat juist is. En dat

[50:16] Gaan we kijken of dat juist is. En dat is natuurlijk juist. Andere antwoorden

[50:18] is natuurlijk juist. Andere antwoorden vielen natuurlijk daarbij ook af.

[50:21] vielen natuurlijk daarbij ook af. Dan een moeilijke, hier zijn ook een

[50:23] Dan een moeilijke, hier zijn ook een paar andere filmpjes over gemaakt, dus

[50:24] paar andere filmpjes over gemaakt, dus ik ga dit relatief kort houden. Kijk

[50:27] ik ga dit relatief kort houden. Kijk vooral ook even bij economie in 5

[50:29] vooral ook even bij economie in 5 minuten over box 1 en box 3. Op dit

[50:32] minuten over box 1 en box 3. Op dit moment moet je box 1 en box 3 kennen,

[50:34] moment moet je box 1 en box 3 kennen, want box 2, daar hebben we het niet

[50:36] want box 2, daar hebben we het niet over. Box 1 is inkomsten uit werk en

[50:39] over. Box 1 is inkomsten uit werk en woning. Box 3 is inkomsten uit sparen en

[50:41] woning. Box 3 is inkomsten uit sparen en belegging.

[50:43] belegging. Box é gaan we beginnen. Vaak wordt hier

[50:46] Box é gaan we beginnen. Vaak wordt hier één of twee vragen van gesteld. Dus waar

[50:48] één of twee vragen van gesteld. Dus waar die ergens zit, dat weet ik niet. Maar

[50:50] die ergens zit, dat weet ik niet. Maar bijvoorbeeld zouden ze kunnen zeggen:

[50:51] bijvoorbeeld zouden ze kunnen zeggen: "Weet je wat? Ga het belastbare jaar

[50:54] "Weet je wat? Ga het belastbare jaar berekenen." Nou, wat betekent dat nou

[50:56] berekenen." Nou, wat betekent dat nou eigenlijk? Want heel veel leerlingen

[50:58] eigenlijk? Want heel veel leerlingen kennen alleen maar het trucje, maar

[51:00] kennen alleen maar het trucje, maar weten eigenlijk niet wat ze aan het doen

[51:01] weten eigenlijk niet wat ze aan het doen zijn. Belastbare jaarinkomen, oftewel

[51:04] zijn. Belastbare jaarinkomen, oftewel het jaarinkomen waar je belasting over

[51:07] het jaarinkomen waar je belasting over moet betalen. Nou, hoe ga je dat doen?

[51:09] moet betalen. Nou, hoe ga je dat doen? Je gaat eerst het bruto jaarinkomen

[51:11] Je gaat eerst het bruto jaarinkomen uitrekenen. Daarbij tel je het eigen

[51:14] uitrekenen. Daarbij tel je het eigen woningfor op. Dan doe je de aftrekposten

[51:17] woningfor op. Dan doe je de aftrekposten daarv en dan heb je het belastbaar jaar

[51:20] daarv en dan heb je het belastbaar jaar inkomen bereken. Nou, stel even voor je

[51:22] inkomen bereken. Nou, stel even voor je hebt €40.000

[51:24] hebt €40.000 aan belastbaar jaarinkomen. Ik zeg maar

[51:26] aan belastbaar jaarinkomen. Ik zeg maar even wat hè. Dan moet je dus normaal

[51:28] even wat hè. Dan moet je dus normaal gesproken over €40.000 belasting

[51:30] gesproken over €40.000 belasting betalen. Maar door die aftrekposten

[51:33] betalen. Maar door die aftrekposten wordt dat bedrag van die €40.000 lager.

[51:36] wordt dat bedrag van die €40.000 lager. Je gaat niet minder verdienen, maar je

[51:38] Je gaat niet minder verdienen, maar je gaat over een kleiner bedrag belasting

[51:40] gaat over een kleiner bedrag belasting betalen. En daar wordt iedereen

[51:41] betalen. En daar wordt iedereen natuurlijk blij van. Maar zegt de

[51:44] natuurlijk blij van. Maar zegt de overheid, het eigen woningfor tellen we

[51:47] overheid, het eigen woningfor tellen we daar vervolgens weer bij op. Dus stel nu

[51:49] daar vervolgens weer bij op. Dus stel nu even voor dat je €40.000 aan bruto jaar

[51:52] even voor dat je €40.000 aan bruto jaar inkomen hebt. Je hebt wel sprake van

[51:54] inkomen hebt. Je hebt wel sprake van eigen woningverfir, maar niet eh aan

[51:56] eigen woningverfir, maar niet eh aan aftreposten. Dan werkt dat dus niet heel

[51:58] aftreposten. Dan werkt dat dus niet heel goed voor jou. Maar meestal heb je zijn

[52:01] goed voor jou. Maar meestal heb je zijn jouw aftrekposten altijd hoger dan het

[52:03] jouw aftrekposten altijd hoger dan het eigen woningfair. En dus ben jij blij,

[52:06] eigen woningfair. En dus ben jij blij, want je hoeft over een minder groot

[52:07] want je hoeft over een minder groot bedrag belasting te gaan betalen. Laten

[52:10] bedrag belasting te gaan betalen. Laten we eens gaan kijken bij een voorbeeld.

[52:12] we eens gaan kijken bij een voorbeeld. Pieter heeft een jaar inkomen van

[52:13] Pieter heeft een jaar inkomen van €40.000 als automonteur. Daarna zoet hij

[52:16] €40.000 als automonteur. Daarna zoet hij kleine klusjes voor kennissen voor

[52:17] kleine klusjes voor kennissen voor €1.500. Zijn eigen woningfor bedraagt

[52:21] €1.500. Zijn eigen woningfor bedraagt 2250.

[52:22] 2250. Voor zijn hypotheek betaalt hij per jaar

[52:24] Voor zijn hypotheek betaalt hij per jaar €5300 aan rente. Daarnaast heeft hij

[52:28] €5300 aan rente. Daarnaast heeft hij €1750 aan aftreposten. Bereken zijn

[52:31] €1750 aan aftreposten. Bereken zijn belastbaar inkomen. We gaan beginnen bij

[52:33] belastbaar inkomen. We gaan beginnen bij het begin. Eerst kijken hoeveel verdient

[52:36] het begin. Eerst kijken hoeveel verdient hij nou? Hoeveel krijgt hij nou binnen?

[52:37] hij nou? Hoeveel krijgt hij nou binnen? Nou, dat is die 40.000 en die €1500. Dus

[52:41] Nou, dat is die 40.000 en die €1500. Dus hij verdient €41.500.

[52:44] hij verdient €41.500. Normaal zou hij dus over €41.500

[52:47] Normaal zou hij dus over €41.500 belasting moeten betalen. Maar zeggen ze

[52:50] belasting moeten betalen. Maar zeggen ze dan, dan gaan we eens kijken. Ik heb

[52:51] dan, dan gaan we eens kijken. Ik heb deze bij elkaar gezet. Je mag het ook

[52:53] deze bij elkaar gezet. Je mag het ook los doen natuurlijk. Het eigen woningfor

[52:56] los doen natuurlijk. Het eigen woningfor moet hij erbij optellen. Dat is 2250.

[52:59] moet hij erbij optellen. Dat is 2250. Die staat hier en die staat daar. Maar

[53:01] Die staat hier en die staat daar. Maar die hypotheekrente is een aftrekpost.

[53:04] die hypotheekrente is een aftrekpost. Die mag je daar weer vanaf halen. Nou,

[53:06] Die mag je daar weer vanaf halen. Nou, je ziet de hypotheekrente is 5300 en dat

[53:09] je ziet de hypotheekrente is 5300 en dat is dus iets meer dan €3000

[53:12] is dus iets meer dan €3000 meer dan het eigen woningvoorfair. Dus

[53:14] meer dan het eigen woningvoorfair. Dus Pieter is blij want hij gaat minder

[53:17] Pieter is blij want hij gaat minder belasting betalen. Dus hij moest

[53:19] belasting betalen. Dus hij moest eigenlijk over €41,500

[53:21] eigenlijk over €41,500 betalen en hij mag er nu €350

[53:24] betalen en hij mag er nu €350 vanaf halen. Het verschil tussen het

[53:26] vanaf halen. Het verschil tussen het eigen woningvofer en het het de

[53:29] eigen woningvofer en het het de hypotheekrente. Dus hij hoeft nog maar

[53:31] hypotheekrente. Dus hij hoeft nog maar over 38.450

[53:33] over 38.450 50 te gaan betalen. Yippie, dat is goed.

[53:37] 50 te gaan betalen. Yippie, dat is goed. Nou, vervolgens gaan we dan kijken,

[53:38] Nou, vervolgens gaan we dan kijken, heeft hij nog meer aftrekposten? Ja,

[53:41] heeft hij nog meer aftrekposten? Ja, daarnaast heeft hij nog €1750 aan

[53:43] daarnaast heeft hij nog €1750 aan aftrekposten. Dus die moeten we daar

[53:45] aftrekposten. Dus die moeten we daar natuurlijk ook vanaf halen. Jee, is

[53:48] natuurlijk ook vanaf halen. Jee, is goed. Dus hij moet niet over 41.500

[53:52] goed. Dus hij moet niet over 41.500 belasting betalen. Hij moet niet over

[53:54] belasting betalen. Hij moet niet over 38450 belasting betalen. Maar hij hoeft

[53:57] 38450 belasting betalen. Maar hij hoeft maar over €36. €100 belasting te

[54:00] maar over €36. €100 belasting te betalen. Jee, Pieter is natuurlijk blij.

[54:02] betalen. Jee, Pieter is natuurlijk blij. Dit is dus het belastbare inkomen. Dus

[54:05] Dit is dus het belastbare inkomen. Dus hij heeft een jaar van €41,500

[54:09] hij heeft een jaar van €41,500 en uiteindelijk moet hij maar over

[54:10] en uiteindelijk moet hij maar over 36.700 belasting betalen. Is dus niet

[54:14] 36.700 belasting betalen. Is dus niet dat hij minder verdiend heeft. Laat dat

[54:16] dat hij minder verdiend heeft. Laat dat even duidelijk zijn.

[54:18] even duidelijk zijn. Nou, dat eigen woningfor, dat kunnen ze

[54:20] Nou, dat eigen woningfor, dat kunnen ze jullie ook nog laten berekenen.

[54:23] jullie ook nog laten berekenen. Bijvoorbeeld de WZ waarde van je woning

[54:25] Bijvoorbeeld de WZ waarde van je woning is €320.000.

[54:27] is €320.000. bereken het eigen woningvor op basis van

[54:30] bereken het eigen woningvor op basis van de bijlage. Nou, dan ga je hier kijken.

[54:32] de bijlage. Nou, dan ga je hier kijken. €320.000 zit tussen de 75.000 en tussen

[54:36] €320.000 zit tussen de 75.000 en tussen de 1, 2 miljoen. Sorry. Daar betaal je

[54:40] de 1, 2 miljoen. Sorry. Daar betaal je 0,35%

[54:42] 0,35% aan eigen woningvoorver. Dus doe je

[54:44] aan eigen woningvoorver. Dus doe je 0,35%.

[54:46] 0,35%. Let op, niet 35% en 0,35%.

[54:49] Let op, niet 35% en 0,35%. 0,35%

[54:51] 0,35% van die €320.000

[54:53] van die €320.000 en daar zie je hem staan is €120. Reken

[54:56] en daar zie je hem staan is €120. Reken gerust ermee. Zo kunnen ze jullie dus

[54:58] gerust ermee. Zo kunnen ze jullie dus ook stellen dat je dus zelf het eigen

[55:00] ook stellen dat je dus zelf het eigen woningver moet uitrekenen op basis van

[55:02] woningver moet uitrekenen op basis van de bijlage. Nou, een iets moeilijkere

[55:04] de bijlage. Nou, een iets moeilijkere als die eh 1,3 miljoen is. Nou, dan zie

[55:07] als die eh 1,3 miljoen is. Nou, dan zie je hier staan alles boven de 1,2 miljoen

[55:10] je hier staan alles boven de 1,2 miljoen is 4200

[55:13] is 4200 + 2,35%

[55:15] + 2,35% van de waarde boven de 1,2 miljoen. Nou,

[55:18] van de waarde boven de 1,2 miljoen. Nou, wat krijg je dan?

[55:21] wat krijg je dan? Je betaalt die 4200. Vervolgens betaal

[55:24] Je betaalt die 4200. Vervolgens betaal je over die €100.000. Want deze is 1,3

[55:27] je over die €100.000. Want deze is 1,3 miljoen en alles boven de 1,2 miljoen,

[55:31] miljoen en alles boven de 1,2 miljoen, daar moet je nog een extra deel over

[55:33] daar moet je nog een extra deel over betalen. Dus 1,3 miljoen- 1,2 miljoen is

[55:36] betalen. Dus 1,3 miljoen- 1,2 miljoen is €100.000.

[55:38] €100.000. Daar betaal je dan nog die 2,35%

[55:40] Daar betaal je dan nog die 2,35% over. Nou 2,35% van 100.000 is 2350.

[55:45] over. Nou 2,35% van 100.000 is 2350. Dus als jouw huis 1,3 miljoen is, dan

[55:48] Dus als jouw huis 1,3 miljoen is, dan betaal je daar €650

[55:51] betaal je daar €650 aan. Nee, dan reken je €6550

[55:55] aan. Nee, dan reken je €6550 eigen woning voor F voor uit. Nou, lijkt

[55:58] eigen woning voor F voor uit. Nou, lijkt me vrij duidelijk dit.

[56:01] me vrij duidelijk dit. Box 3 iets anders, want box 3 dat gaat

[56:04] Box 3 iets anders, want box 3 dat gaat namelijk over jouw vermogen, hè. Dus we

[56:07] namelijk over jouw vermogen, hè. Dus we hadden net gezien hier op het begin.

[56:10] hadden net gezien hier op het begin. Box é is inkomsten uit werk en woning.

[56:13] Box é is inkomsten uit werk en woning. Die hebben we nu gedaan. Box 3 is

[56:15] Die hebben we nu gedaan. Box 3 is inkomsten uit sparen en uit beleggen.

[56:18] inkomsten uit sparen en uit beleggen. Nou, laten we eens kijken. Stappenplan.

[56:20] Nou, laten we eens kijken. Stappenplan. Eerste totale inkomsten berekenen,

[56:22] Eerste totale inkomsten berekenen, sparen en beleggen, bij elkaar optellen.

[56:25] sparen en beleggen, bij elkaar optellen. Staat meestal in de opgave. Dan ga je

[56:27] Staat meestal in de opgave. Dan ga je het heffingsvrije bedrag bepalen. Staat

[56:30] het heffingsvrije bedrag bepalen. Staat meestal ook gegeven opgave. Dan ga je

[56:32] meestal ook gegeven opgave. Dan ga je het belastbare vermogen berekenen. Nou,

[56:35] het belastbare vermogen berekenen. Nou, heel simpel. Belastbare vermogen is het

[56:37] heel simpel. Belastbare vermogen is het vermogen waar je belasting over betaalt.

[56:39] vermogen waar je belasting over betaalt. Dat doe je dus door de totale inkomsten

[56:42] Dat doe je dus door de totale inkomsten min het heffingsvrije bedrag. Want

[56:44] min het heffingsvrije bedrag. Want heffingsvrije bedrag betekent eigenlijk

[56:46] heffingsvrije bedrag betekent eigenlijk een bedrag waar je geen belasting over

[56:47] een bedrag waar je geen belasting over hoeft te betalen. Dan ga je als vierde

[56:50] hoeft te betalen. Dan ga je als vierde stap het fictieve rendement bepalen. Dus

[56:52] stap het fictieve rendement bepalen. Dus het percentage staan in de opgave. Bij

[56:55] het percentage staan in de opgave. Bij vifde ga je de belastingen betalen die

[56:56] vifde ga je de belastingen betalen die wat je moet betalen. En ook die

[56:57] wat je moet betalen. En ook die percentages die staan in de opgave.

[57:00] percentages die staan in de opgave. Waarschijnlijk gaan ze jullie dit niet

[57:02] Waarschijnlijk gaan ze jullie dit niet allemaal laten doen, maar als ze iets

[57:03] allemaal laten doen, maar als ze iets pakken dan laten ze één of twee van deze

[57:05] pakken dan laten ze één of twee van deze stappen dat doen. Nou gaan we eens

[57:07] stappen dat doen. Nou gaan we eens kijken. In 2022 gaat Moorm voor €100.000

[57:10] kijken. In 2022 gaat Moorm voor €100.000 aan sparen en 80.000 aan beleggen in

[57:12] aan sparen en 80.000 aan beleggen in zijn bezit. Hij moet hier natuurlijk

[57:14] zijn bezit. Hij moet hier natuurlijk belasting over betalen. Het

[57:16] belasting over betalen. Het heffingsvrije vermogen is €50.000.

[57:19] heffingsvrije vermogen is €50.000. Hoeveel moet Mohammed in box 3 betalen?

[57:21] Hoeveel moet Mohammed in box 3 betalen? Nou, misschien kan je even stopzetten

[57:23] Nou, misschien kan je even stopzetten als je zelf wil oefenen. Ik ga hem in

[57:25] als je zelf wil oefenen. Ik ga hem in elk geval met jullie doen. Eerste stap

[57:27] elk geval met jullie doen. Eerste stap was het totale vermogen berekenen.

[57:29] was het totale vermogen berekenen. 100.000 + 80.000. Daar moet hij over

[57:33] 100.000 + 80.000. Daar moet hij over betalen. Maar het heffingsvrij vermogen

[57:36] betalen. Maar het heffingsvrij vermogen is ook 50.000. Dus hij hoeft niet over

[57:38] is ook 50.000. Dus hij hoeft niet over €180.000 000 belasting te gaan betalen.

[57:41] €180.000 000 belasting te gaan betalen. Maar over €10- 50 is €130.000 moet die

[57:45] Maar over €10- 50 is €130.000 moet die belasting gaan betalen. Dus moment is

[57:48] belasting gaan betalen. Dus moment is blij, want hij hoeft op een minder groot

[57:50] blij, want hij hoeft op een minder groot deel belasting te betalen. Nou, het

[57:53] deel belasting te betalen. Nou, het stappenplan. Nou, hebben we gezegd

[57:55] stappenplan. Nou, hebben we gezegd 180.000. Stap 2 is 50.000. Dus hij gaat

[57:59] 180.000. Stap 2 is 50.000. Dus hij gaat over 130.000 gaat hij ehm gaat hij

[58:02] over 130.000 gaat hij ehm gaat hij belasting betalen. Nou, dan zien we dan

[58:04] belasting betalen. Nou, dan zien we dan als het vermogen tussen de 100.000 dat 1

[58:07] als het vermogen tussen de 100.000 dat 1 miljoen is, moet je een fictief

[58:08] miljoen is, moet je een fictief rendement rekenen van 4,5%. Nou, stap 4.

[58:12] rendement rekenen van 4,5%. Nou, stap 4. Fictief rendement pak je dus 4,5%

[58:16] Fictief rendement pak je dus 4,5% van die 130.000

[58:18] van die 130.000 is 5850.

[58:20] is 5850. Dat is stap 4. En de laatste stap is dan

[58:23] Dat is stap 4. En de laatste stap is dan hierover betaalt u 31% belasting. Dus we

[58:27] hierover betaalt u 31% belasting. Dus we hebben stap 4 nu uitgerekend en over dat

[58:30] hebben stap 4 nu uitgerekend en over dat bedrag die 5850

[58:33] bedrag die 5850 daar gaat die 31% over rekenen en dus

[58:36] daar gaat die 31% over rekenen en dus moet Mohammed in zijn geval €1813,50

[58:41] moet Mohammed in zijn geval €1813,50 in box 3 gaan betalen aan belasting.

[58:44] in box 3 gaan betalen aan belasting. Nou, in principe is dat beter dan dat

[58:46] Nou, in principe is dat beter dan dat hij over die 180.000 1000 meteen die 31%

[58:50] hij over die 180.000 1000 meteen die 31% had moeten betalen, want toen was hij op

[58:51] had moeten betalen, want toen was hij op veel meer natuurlijk uitgekomen. Dus

[58:53] veel meer natuurlijk uitgekomen. Dus eigenlijk box 3 is standaard een paar

[58:56] eigenlijk box 3 is standaard een paar zeg maar een stappen volgen en als je

[58:58] zeg maar een stappen volgen en als je die stappen goed volgt, dan kom je daar

[59:00] die stappen goed volgt, dan kom je daar goed op uit. Ze zouden bijvoorbeeld

[59:01] goed op uit. Ze zouden bijvoorbeeld kunnen zeggen: "Nou, bereken het

[59:03] kunnen zeggen: "Nou, bereken het belastbare vermogen." Of bijvoorbeeld

[59:05] belastbare vermogen." Of bijvoorbeeld dat ze zeggen: "Nou, het belastbare

[59:06] dat ze zeggen: "Nou, het belastbare vermogen is 130.000. Bereken het

[59:08] vermogen is 130.000. Bereken het fictieve rendement. Misschien voor een

[59:10] fictieve rendement. Misschien voor een tweepuntsvraag bereken dan ook hoeveel

[59:12] tweepuntsvraag bereken dan ook hoeveel belasting dat hij moet betalen. Maar

[59:13] belasting dat hij moet betalen. Maar meestal zijn dat losse stappen van

[59:15] meestal zijn dat losse stappen van elkaar.

[59:18] elkaar. Gaan we nu even wachten en gaan we hem

[59:20] Gaan we nu even wachten en gaan we hem even resetten. Pak even je pauze en dan

[59:22] even resetten. Pak even je pauze en dan gaan we dadelijk door met soorten

[59:23] gaan we dadelijk door met soorten belastingstarieven.

[59:25] belastingstarieven. Hopelijk ben je er nog helemaal bij. We

[59:27] Hopelijk ben je er nog helemaal bij. We zijn namelijk bezig met de soorten

[59:29] zijn namelijk bezig met de soorten belastingstarieven. We hebben drie

[59:30] belastingstarieven. We hebben drie soorten belastingen. We hebben

[59:32] soorten belastingen. We hebben progressief, we hebben degressief en we

[59:34] progressief, we hebben degressief en we hebben proportioneel. Nou, wat wil dat

[59:36] hebben proportioneel. Nou, wat wil dat nu eigenlijk zeggen? Een progressief

[59:38] nu eigenlijk zeggen? Een progressief belastingtarief. Je ziet hier ook de

[59:39] belastingtarief. Je ziet hier ook de lijn steeds hoger worden. Op deze as heb

[59:42] lijn steeds hoger worden. Op deze as heb je de belasting staan en op de

[59:44] je de belasting staan en op de horizontale as heb je het inkomen staan.

[59:46] horizontale as heb je het inkomen staan. Als het inkomen hoger wordt, dan wordt

[59:49] Als het inkomen hoger wordt, dan wordt de belasting ook hoger. Dat is

[59:51] de belasting ook hoger. Dat is progressief. Dus bijvoorbeeld eh nee, ik

[59:54] progressief. Dus bijvoorbeeld eh nee, ik ga geen voorbeelden geven, want die

[59:55] ga geen voorbeelden geven, want die staan er dadelijk wel bij. Deessief, dat

[59:58] staan er dadelijk wel bij. Deessief, dat komt eigenlijk nergens ter wereld voor,

[01:00:00] komt eigenlijk nergens ter wereld voor, want als jouw inkomen stijgt, dan neemt

[01:00:02] want als jouw inkomen stijgt, dan neemt de belasting eigenlijk af. Ja, dat kan

[01:00:04] de belasting eigenlijk af. Ja, dat kan in corrupte landen. Daar moeten we niet

[01:00:06] in corrupte landen. Daar moeten we niet naar kijken. Proportioneel is eigenlijk

[01:00:09] naar kijken. Proportioneel is eigenlijk dat er één belastingpercentage is. Dus

[01:00:11] dat er één belastingpercentage is. Dus in verhouding zeggen ze dan betaalt

[01:00:13] in verhouding zeggen ze dan betaalt iedereen evenveel belasting. Ja. Dus eh

[01:00:17] iedereen evenveel belasting. Ja. Dus eh de dus je moet je moet je hier

[01:00:18] de dus je moet je moet je hier voorstellen bij die progressieve is het

[01:00:21] voorstellen bij die progressieve is het zo naarmate dat jij meer gaat verdienen

[01:00:23] zo naarmate dat jij meer gaat verdienen ga je ook meer procenten belasting

[01:00:25] ga je ook meer procenten belasting betalen en daardoor ga je zowel in

[01:00:26] betalen en daardoor ga je zowel in procenten meer als ook in euro's meer

[01:00:29] procenten meer als ook in euro's meer betalen. Hier bij die laatste

[01:00:31] betalen. Hier bij die laatste proportioneel ga je misschien wel euro's

[01:00:33] proportioneel ga je misschien wel euro's meer betalen, maar is het bijvoorbeeld

[01:00:34] meer betalen, maar is het bijvoorbeeld voor iedereen 20% en blijft die procent

[01:00:37] voor iedereen 20% en blijft die procent dus gewoon gelijk. Nou degressief

[01:00:39] dus gewoon gelijk. Nou degressief nogmaals, die komt bijna nooit voor.

[01:00:43] nogmaals, die komt bijna nooit voor. Vraagen aan zit ook vaak in het examen

[01:00:45] Vraagen aan zit ook vaak in het examen natuurlijk. We hebben de vraaglijn, drie

[01:00:47] natuurlijk. We hebben de vraaglijn, drie verschillende lijnen. De vraaglijn is

[01:00:50] verschillende lijnen. De vraaglijn is altijd een dalende lijn. Waarom is dat

[01:00:53] altijd een dalende lijn. Waarom is dat een dalende lijn? Nou, stel nou je even

[01:00:54] een dalende lijn? Nou, stel nou je even voor je hebt een prijs van €6. Dan kan

[01:00:56] voor je hebt een prijs van €6. Dan kan je zien dat de vraag in dit geval nou

[01:00:59] je zien dat de vraag in dit geval nou 1250 ongeveer is. Dus bij een prijs van

[01:01:02] 1250 ongeveer is. Dus bij een prijs van €6

[01:01:04] €6 worden er 1250 aardappelen gevraagd of

[01:01:07] worden er 1250 aardappelen gevraagd of screen protectors gevraagd. Als de prijs

[01:01:09] screen protectors gevraagd. Als de prijs nu daalt van 6 naar €4, dan zien we dat

[01:01:13] nu daalt van 6 naar €4, dan zien we dat de vraag ineens

[01:01:15] de vraag ineens is. Dus je gaat gewoon een lijntje

[01:01:17] is. Dus je gaat gewoon een lijntje tekenen van die vier naar dit punt naar

[01:01:20] tekenen van die vier naar dit punt naar het snijpunt. Dan ga je naar beneden. En

[01:01:22] het snijpunt. Dan ga je naar beneden. En dus is de prijs is omlaag gegaan en de

[01:01:25] dus is de prijs is omlaag gegaan en de vraag is toegenomen. Is natuurlijk ook

[01:01:27] vraag is toegenomen. Is natuurlijk ook wel logisch, want als de prijs omlaag

[01:01:29] wel logisch, want als de prijs omlaag gaan willen meer mensen het hebben.

[01:01:31] gaan willen meer mensen het hebben. Daarom is de vraaglijn altijd een

[01:01:34] Daarom is de vraaglijn altijd een dalende lijn. De aanbollijn komt vanuit

[01:01:37] dalende lijn. De aanbollijn komt vanuit de bedrijven waar de vraaglijn vanuit de

[01:01:39] de bedrijven waar de vraaglijn vanuit de consumenten komt. En dat is altijd een

[01:01:41] consumenten komt. En dat is altijd een stijgende lijn. Nou, hier ga je

[01:01:43] stijgende lijn. Nou, hier ga je bijvoorbeeld ook kijken. Nou, stel nou

[01:01:45] bijvoorbeeld ook kijken. Nou, stel nou je voor bij een prijs van €4 worden er

[01:01:48] je voor bij een prijs van €4 worden er 1000 screen protectors door bedrijven

[01:01:50] 1000 screen protectors door bedrijven aangeboden. Als de prijs gaat stijgen

[01:01:52] aangeboden. Als de prijs gaat stijgen naar €6 dan zien we dat het aanbod ook

[01:01:56] naar €6 dan zien we dat het aanbod ook stijgt naar 1500 stuks. Nou, waarom is

[01:01:59] stijgt naar 1500 stuks. Nou, waarom is dat nou zo? Nou, die bedrijven die

[01:02:00] dat nou zo? Nou, die bedrijven die denken: "Hey, als de prijs omhoog gaat,

[01:02:02] denken: "Hey, als de prijs omhoog gaat, dan kunnen bedrijven dus meer winst

[01:02:04] dan kunnen bedrijven dus meer winst maken. En als ze meer winst kunnen

[01:02:05] maken. En als ze meer winst kunnen maken, gaan bedrijven dus ook meer stuks

[01:02:08] maken, gaan bedrijven dus ook meer stuks aanbieden." En daarom is de aanlijn

[01:02:10] aanbieden." En daarom is de aanlijn altijd een stijgende lijn. die komen

[01:02:13] altijd een stijgende lijn. die komen samen in de markt, want daar komen ook

[01:02:16] samen in de markt, want daar komen ook eh vragers en aanbieders oftewel

[01:02:17] eh vragers en aanbieders oftewel consumenten en bedrijven die komen daar

[01:02:19] consumenten en bedrijven die komen daar samen. Is een beetje alsof je naar de

[01:02:21] samen. Is een beetje alsof je naar de weekmarkt gaat ofzo. Daar heb je aan de

[01:02:22] weekmarkt gaat ofzo. Daar heb je aan de ene kant mensen en aan de andere kant

[01:02:24] ene kant mensen en aan de andere kant bedrijven bijvoorbeeld zoals de

[01:02:25] bedrijven bijvoorbeeld zoals de kaasboer. En je ziet dan inderdaad dat

[01:02:28] kaasboer. En je ziet dan inderdaad dat die bij elkaar komen. We hebben de

[01:02:30] die bij elkaar komen. We hebben de vraaglijn is de dalende lijn, de

[01:02:31] vraaglijn is de dalende lijn, de aanbellijn is de stijgende lijn en die

[01:02:33] aanbellijn is de stijgende lijn en die komen elkaar tegen. Nou soms moet je dan

[01:02:36] komen elkaar tegen. Nou soms moet je dan bijvoorbeeld de evenwichtsprijs af gaan

[01:02:38] bijvoorbeeld de evenwichtsprijs af gaan lezen. Nou, hier is hij wel lastiger af

[01:02:40] lezen. Nou, hier is hij wel lastiger af te lezen, want het evenwicht dat zit

[01:02:43] te lezen, want het evenwicht dat zit hier. En dan moet je hem doortrekken

[01:02:45] hier. En dan moet je hem doortrekken naar die kant. Nou, misschien €5,50

[01:02:47] naar die kant. Nou, misschien €5,50 ofzo. En dan heb je evenwichts

[01:02:49] ofzo. En dan heb je evenwichts hoeveelheid. Dan ga je naar beneden toe

[01:02:51] hoeveelheid. Dan ga je naar beneden toe en die kan je dan hier aflezen. Nou, op

[01:02:53] en die kan je dan hier aflezen. Nou, op dat moment zijn vraag en aanmod.

[01:02:57] dat moment zijn vraag en aanmod. Nou, als de als ze nu in de markt gaan

[01:02:59] Nou, als de als ze nu in de markt gaan zeggen, als die eh bedrijven gaan

[01:03:01] zeggen, als die eh bedrijven gaan afspreken: "He, weet je wat? Laten we de

[01:03:03] afspreken: "He, weet je wat? Laten we de prijs €8 per screen protector maken. Wat

[01:03:06] prijs €8 per screen protector maken. Wat gebeurt er dan?" Nou, dan ga je bij die

[01:03:08] gebeurt er dan?" Nou, dan ga je bij die €8 een lijn trekken. Nou, wat zie je

[01:03:10] €8 een lijn trekken. Nou, wat zie je daar gebeuren? De vraag naar screen

[01:03:12] daar gebeuren? De vraag naar screen protectors bij €8 is 750. Dus de mensen

[01:03:16] protectors bij €8 is 750. Dus de mensen hebben 750 screen protectors nodig. Maar

[01:03:19] hebben 750 screen protectors nodig. Maar het aanbod ga je naar die lijn is 2000.

[01:03:23] het aanbod ga je naar die lijn is 2000. Dus er worden 2000 screen protectors

[01:03:25] Dus er worden 2000 screen protectors worden wel aangeboden, maar er zijn er

[01:03:27] worden wel aangeboden, maar er zijn er maar 750 nodig. Ja, dan heb je

[01:03:29] maar 750 nodig. Ja, dan heb je natuurlijk 1250 screen protectors van

[01:03:32] natuurlijk 1250 screen protectors van nop, want die kom je toch niet kwijt.

[01:03:34] nop, want die kom je toch niet kwijt. Dus wat gaat er dan vaak gebeuren? Dan

[01:03:36] Dus wat gaat er dan vaak gebeuren? Dan gaat de prijs dalen, zeggen ze. Nou,

[01:03:38] gaat de prijs dalen, zeggen ze. Nou, weet je wat? We gaan het aanbieden. We

[01:03:40] weet je wat? We gaan het aanbieden. We gaan het aanbieden voor €2 per screen

[01:03:42] gaan het aanbieden voor €2 per screen protector. Nou, wat ga je dan doen? Ga

[01:03:44] protector. Nou, wat ga je dan doen? Ga je bij €2 een lijn trekken. Nou, wat

[01:03:46] je bij €2 een lijn trekken. Nou, wat zien we gebeuren? Bij €2 worden er maar

[01:03:49] zien we gebeuren? Bij €2 worden er maar 500 screen protectors aangeboden. En bij

[01:03:51] 500 screen protectors aangeboden. En bij een prijs van €2 worden er meer dan 2000

[01:03:55] een prijs van €2 worden er meer dan 2000 screen protectors gevraagd. Dus er

[01:03:57] screen protectors gevraagd. Dus er willen superveel mensen een screen

[01:03:58] willen superveel mensen een screen protector hebben, maar er zijn maar een

[01:04:00] protector hebben, maar er zijn maar een paar bedrijven die wat die screen

[01:04:01] paar bedrijven die wat die screen protectors voor €2 aanbieden. Ja, dan

[01:04:03] protectors voor €2 aanbieden. Ja, dan heb je natuurlijk een waanzinnigstekort.

[01:04:05] heb je natuurlijk een waanzinnigstekort. Dan moet je natuurlijk weer de prijs

[01:04:06] Dan moet je natuurlijk weer de prijs omhoog gaan doen en dan kom je ergens

[01:04:08] omhoog gaan doen en dan kom je ergens toch wel weer bij dat eh bij dat

[01:04:11] toch wel weer bij dat eh bij dat evenwichtspunt kom je uit.

[01:04:14] evenwichtspunt kom je uit. Evenwichtsprijs. Evenwichtselheid. Dus

[01:04:16] Evenwichtsprijs. Evenwichtselheid. Dus evenwichtsprijs kun je op de verticale

[01:04:19] evenwichtsprijs kun je op de verticale as aflezen. Evenwichtshoeveelheid kun je

[01:04:21] as aflezen. Evenwichtshoeveelheid kun je op de horizontale as aflezen. Tip van

[01:04:23] op de horizontale as aflezen. Tip van mij: ga bij het examen vooral veel

[01:04:26] mij: ga bij het examen vooral veel lijnen tekenen.

[01:04:28] lijnen tekenen. Dan gaan we dan naar de arbeidsmarkt

[01:04:30] Dan gaan we dan naar de arbeidsmarkt kijken. Want we hebben net gezien dat

[01:04:31] kijken. Want we hebben net gezien dat bij de vraag en aanbod de vraag komt

[01:04:33] bij de vraag en aanbod de vraag komt vanuit de consumenten en het aanbod komt

[01:04:35] vanuit de consumenten en het aanbod komt vanuit bedrijven. Bij de arbeidsmarkt

[01:04:38] vanuit bedrijven. Bij de arbeidsmarkt werkt dat dadelijk net even wat anders,

[01:04:40] werkt dat dadelijk net even wat anders, want daar zeggen we namelijk het aanbod

[01:04:42] want daar zeggen we namelijk het aanbod van arbeid. Dat zijn mensen. Dus mensen

[01:04:45] van arbeid. Dat zijn mensen. Dus mensen bieden zich aan om te gaan werken. En de

[01:04:47] bieden zich aan om te gaan werken. En de vraag komt vanuit de bedrijven. Dus daar

[01:04:49] vraag komt vanuit de bedrijven. Dus daar werkt hij net als enige omgedraaid.

[01:04:52] werkt hij net als enige omgedraaid. Nou, hoe zit dat hier? We hebben de hele

[01:04:54] Nou, hoe zit dat hier? We hebben de hele bevolking van Nederland en dan hebben we

[01:04:56] bevolking van Nederland en dan hebben we de jongeren 0 tot 15 jaar en eigenlijk

[01:04:58] de jongeren 0 tot 15 jaar en eigenlijk moeten we dan hier zeggen van 16 hè tot

[01:05:01] moeten we dan hier zeggen van 16 hè tot aan de pensioengerechte de leeftijd. En

[01:05:03] aan de pensioengerechte de leeftijd. En dan hebben we de gepensioneerde. Dus we

[01:05:05] dan hebben we de gepensioneerde. Dus we hebben de jongeren hier staan, we hebben

[01:05:07] hebben de jongeren hier staan, we hebben de ouder hier staan. Daar hoeven we nu

[01:05:08] de ouder hier staan. Daar hoeven we nu niet naar te kijken bij de arbeidsmarkt.

[01:05:10] niet naar te kijken bij de arbeidsmarkt. We gaan vooral kijken in die groep van

[01:05:12] We gaan vooral kijken in die groep van 15 tot 65 of van 16 tot 67. In elk geval

[01:05:17] 15 tot 65 of van 16 tot 67. In elk geval dat is de beroepsgeschikte bevolking.

[01:05:19] dat is de beroepsgeschikte bevolking. Daar bedoelen we eigenlijk mee. Die zijn

[01:05:21] Daar bedoelen we eigenlijk mee. Die zijn in principe geschikt om een beroep uit

[01:05:23] in principe geschikt om een beroep uit te oefenen. Want we gaan ervan dat die

[01:05:25] te oefenen. Want we gaan ervan dat die allemaal een diploma hebben en

[01:05:26] allemaal een diploma hebben en dergelijke en dat die dus zouden kunnen

[01:05:28] dergelijke en dat die dus zouden kunnen gaan werken. Nou, wat ga je dan als

[01:05:30] gaan werken. Nou, wat ga je dan als eerste verdelen? Dan ga je kijken nou

[01:05:32] eerste verdelen? Dan ga je kijken nou ben jij nu eigenlijk tussen de 15 en

[01:05:35] ben jij nu eigenlijk tussen de 15 en tussen de pensioengerechtigde leeftijd

[01:05:37] tussen de pensioengerechtigde leeftijd en ben je ook bereid om minimaal 12 uur

[01:05:39] en ben je ook bereid om minimaal 12 uur per week betaald werk te doen en ben je

[01:05:42] per week betaald werk te doen en ben je daar ook eigenlijk de hele tijd

[01:05:43] daar ook eigenlijk de hele tijd beschikbaar voor? We hebben dus hier

[01:05:44] beschikbaar voor? We hebben dus hier niet over bijbaantjes. Dus wil je echt

[01:05:47] niet over bijbaantjes. Dus wil je echt fulltime bij wijze van spreken voor een

[01:05:49] fulltime bij wijze van spreken voor een baas gaan werken? Als het antwoord

[01:05:51] baas gaan werken? Als het antwoord daarop ja is, dan hoor je dus bij de

[01:05:53] daarop ja is, dan hoor je dus bij de beroepsbevolking. Als het antwoord

[01:05:54] beroepsbevolking. Als het antwoord daarop nee is, dan hoor je dus bij de

[01:05:56] daarop nee is, dan hoor je dus bij de nietberoepsbevolking.

[01:05:58] nietberoepsbevolking. Nou, wat wil dat nu eigenlijk zeggen?

[01:06:00] Nou, wat wil dat nu eigenlijk zeggen? Iedereen die wat dus wel binnen de goede

[01:06:02] Iedereen die wat dus wel binnen de goede leeftijd zit, maar om welke reden dan

[01:06:04] leeftijd zit, maar om welke reden dan ook niet kan of niet wil werken. Dus je

[01:06:07] ook niet kan of niet wil werken. Dus je hebt natuurlijk mensen die wel

[01:06:08] hebt natuurlijk mensen die wel bijvoorbeeld huisman zijn of huismoeder

[01:06:10] bijvoorbeeld huisman zijn of huismoeder zijn, die zijn wel bijvoorbeeld 40 jaar,

[01:06:14] zijn, die zijn wel bijvoorbeeld 40 jaar, maar die bieden zich niet aan om te gaan

[01:06:16] maar die bieden zich niet aan om te gaan werken. Daarom is dat een

[01:06:17] werken. Daarom is dat een nietberoepsbevokking.

[01:06:19] nietberoepsbevokking. Nou, daar gaan we verder niet meer naar

[01:06:20] Nou, daar gaan we verder niet meer naar kijken. Die beroepsbevokking delen we

[01:06:22] kijken. Die beroepsbevokking delen we dan ook in twee kanten op. We hebben hè

[01:06:26] dan ook in twee kanten op. We hebben hè de werkleegenheid en de werkloosheid.

[01:06:28] de werkleegenheid en de werkloosheid. Werkgelegenheid betekent gelegenheid om

[01:06:31] Werkgelegenheid betekent gelegenheid om te werken. Je kan dus werken of je kan

[01:06:34] te werken. Je kan dus werken of je kan dus niet werken. En dan hebben we in die

[01:06:36] dus niet werken. En dan hebben we in die werkeloosheid hebben we de vijf soorten

[01:06:38] werkeloosheid hebben we de vijf soorten werkeloosheid die wat jullie moeten

[01:06:39] werkeloosheid die wat jullie moeten kennen. Conjuntureel, structureel,

[01:06:41] kennen. Conjuntureel, structureel, seizoens, regionaal of

[01:06:43] seizoens, regionaal of frictiewerkelosheid.

[01:06:44] frictiewerkelosheid. Eh even kijken. Dan moeten we even

[01:06:46] Eh even kijken. Dan moeten we even kijken. Ja, die hebben we nog. Dus die

[01:06:48] kijken. Ja, die hebben we nog. Dus die gaan we dadelijk bespreken. Nou, dit is

[01:06:49] gaan we dadelijk bespreken. Nou, dit is zeg maar het hele schema zoals dat je

[01:06:51] zeg maar het hele schema zoals dat je dat in de basis moet gaan kennen.

[01:06:55] dat in de basis moet gaan kennen. Zijn omgedraaid, had ik al gezegd. Dus

[01:06:57] Zijn omgedraaid, had ik al gezegd. Dus ehm iemand die werkloos is kan in

[01:07:01] ehm iemand die werkloos is kan in aanmerking komen voor een uitkering. Zij

[01:07:03] aanmerking komen voor een uitkering. Zij dienen zich dan wel in te schrijven bij

[01:07:05] dienen zich dan wel in te schrijven bij het UWV, oftewel bij de

[01:07:06] het UWV, oftewel bij de uitkeringsinstantie.

[01:07:09] uitkeringsinstantie. Nou, nu ga je begrippen daarbij krijgen

[01:07:11] Nou, nu ga je begrippen daarbij krijgen zoals een ruime of een krappe

[01:07:13] zoals een ruime of een krappe arbeidsmarkt. Eigenlijk moet je het zien

[01:07:15] arbeidsmarkt. Eigenlijk moet je het zien zoals een broek. Als er r als je een

[01:07:18] zoals een broek. Als er r als je een ruime broek hebt, dan heb je veel ruimte

[01:07:21] ruime broek hebt, dan heb je veel ruimte om te bewegen. Veel keuze zeg maar. een

[01:07:24] om te bewegen. Veel keuze zeg maar. een krappe arbeidsmarkt, dan is er dus

[01:07:27] krappe arbeidsmarkt, dan is er dus weinig ruimte. Nou, je moet dat even

[01:07:29] weinig ruimte. Nou, je moet dat even zien vanuit de werkgever. Als een ruime

[01:07:32] zien vanuit de werkgever. Als een ruime arbeidsmarkt is, dan heb je heel veel

[01:07:34] arbeidsmarkt is, dan heb je heel veel keuze en kun je dus de mensen bij wijze

[01:07:37] keuze en kun je dus de mensen bij wijze van spreken zo van straat afhalen om

[01:07:39] van spreken zo van straat afhalen om voor jou te komen werken. Dan heb je

[01:07:41] voor jou te komen werken. Dan heb je veel keuze. Een krappe arbeidsmarkt is

[01:07:43] veel keuze. Een krappe arbeidsmarkt is dat je heel weinig keuze hebt. Dus het

[01:07:45] dat je heel weinig keuze hebt. Dus het is wel zo in een ruime arbeidsmarkt zijn

[01:07:48] is wel zo in een ruime arbeidsmarkt zijn de salarissen vaak relatief gezien iets

[01:07:51] de salarissen vaak relatief gezien iets lager. Terwijl bij een krappe

[01:07:52] lager. Terwijl bij een krappe arbeidsmarkt als de baas weinig keuze

[01:07:55] arbeidsmarkt als de baas weinig keuze heeft uit mensen, dan zal die baas

[01:07:57] heeft uit mensen, dan zal die baas waarschijnlijk ook meer salaris daar

[01:07:58] waarschijnlijk ook meer salaris daar tegenover moeten zetten. Dus een ruime

[01:08:01] tegenover moeten zetten. Dus een ruime arbeidsmarkt en een krappe arbeidsmarkt.

[01:08:04] arbeidsmarkt en een krappe arbeidsmarkt. Dan hebben we dan markten, concrete

[01:08:06] Dan hebben we dan markten, concrete markt van een abstracte markt. Nou,

[01:08:08] markt van een abstracte markt. Nou, concrete markt die kun je kun je ook

[01:08:10] concrete markt die kun je kun je ook echt bezoeken. En een abstracte markt is

[01:08:13] echt bezoeken. En een abstracte markt is een markt die wat er wel is, maar

[01:08:14] een markt die wat er wel is, maar eigenlijk totaal van vraag en aanbod.

[01:08:17] eigenlijk totaal van vraag en aanbod. Bijvoorbeeld zeggen dan een jongens of

[01:08:18] Bijvoorbeeld zeggen dan een jongens of meisjes in mijn mijn klas wat dan

[01:08:20] meisjes in mijn mijn klas wat dan zeggen: "He, ik hou van voetballen."

[01:08:22] zeggen: "He, ik hou van voetballen." Nou, de transfermarkt dat wil eigenlijk

[01:08:24] Nou, de transfermarkt dat wil eigenlijk zeggen op het einde van het jaar als

[01:08:25] zeggen op het einde van het jaar als allemaal spelers verkocht en gekocht

[01:08:27] allemaal spelers verkocht en gekocht gaan worden en van é naar andere club

[01:08:29] gaan worden en van é naar andere club gaan, dat is geen marktje wat je kan

[01:08:31] gaan, dat is geen marktje wat je kan bezoeken. Ja, daarom is dat een

[01:08:33] bezoeken. Ja, daarom is dat een abstracte markt. Ja, de concrete markt

[01:08:37] abstracte markt. Ja, de concrete markt kan bijvoorbeeld ook de markt zijn die

[01:08:38] kan bijvoorbeeld ook de markt zijn die wat jij iedere week in het dorp of in de

[01:08:41] wat jij iedere week in het dorp of in de stad bezoekt om daar bijvoorbeeld je

[01:08:42] stad bezoekt om daar bijvoorbeeld je kaas en je vlees en je boterhammen te

[01:08:44] kaas en je vlees en je boterhammen te gaan halen. Dat is concreet. Nou, we

[01:08:47] gaan halen. Dat is concreet. Nou, we gaan even kort kijken naar die

[01:08:48] gaan even kort kijken naar die werkeloosheidsvormen.

[01:08:50] werkeloosheidsvormen. Ik ga het heel kort houden. Nogmaals,

[01:08:52] Ik ga het heel kort houden. Nogmaals, hier zijn ook eh filmpjes over met

[01:08:54] hier zijn ook eh filmpjes over met economie in 5 minuten. Nou,

[01:08:55] economie in 5 minuten. Nou, bijvoorbeeld, wat is de eerste?

[01:08:57] bijvoorbeeld, wat is de eerste? Conjuncturele werkeloosheid. Je hebt een

[01:09:00] Conjuncturele werkeloosheid. Je hebt een schommeling in de economie. Die heb je

[01:09:02] schommeling in de economie. Die heb je altijd. In sommige tijden gaat het goed

[01:09:03] altijd. In sommige tijden gaat het goed en sommige tijden gaat het wat minder

[01:09:05] en sommige tijden gaat het wat minder goed met de economie. Dat kan je soms

[01:09:07] goed met de economie. Dat kan je soms voorspellen, maar soms is het

[01:09:08] voorspellen, maar soms is het bijvoorbeeld ook ineens oorlog ofzo en

[01:09:10] bijvoorbeeld ook ineens oorlog ofzo en dan gaat het eens wat minder goed met de

[01:09:11] dan gaat het eens wat minder goed met de economie. Nou, als het dan wat minder

[01:09:13] economie. Nou, als het dan wat minder goed ineens gaat met die economie en

[01:09:15] goed ineens gaat met die economie en mensen raken daardoor werkeloos, dan is

[01:09:17] mensen raken daardoor werkeloos, dan is daar sprake van conjuncturele

[01:09:19] daar sprake van conjuncturele werkeloosheid. De conjunctuur is

[01:09:22] werkeloosheid. De conjunctuur is eigenlijk de schommeling in de economie.

[01:09:24] eigenlijk de schommeling in de economie. De structurele werkeloosheid wil

[01:09:26] De structurele werkeloosheid wil eigenlijk zeggen er zijn te veel mensen

[01:09:29] eigenlijk zeggen er zijn te veel mensen die wat één beroep willen doen. Dus er

[01:09:31] die wat één beroep willen doen. Dus er zijn bijvoorbeeld eh 20.000 event

[01:09:34] zijn bijvoorbeeld eh 20.000 event managers per jaar afgestudeerd en er is

[01:09:36] managers per jaar afgestudeerd en er is maar ruimte voor 3000 event managers per

[01:09:39] maar ruimte voor 3000 event managers per jaar. Dus dat wil zeggen dat er

[01:09:40] jaar. Dus dat wil zeggen dat er eigenlijk 17.000

[01:09:42] eigenlijk 17.000 teveel zijn. Dat is structurele

[01:09:44] teveel zijn. Dat is structurele werkloosheid. Die zouden zich

[01:09:46] werkloosheid. Die zouden zich bijvoorbeeld moeten gaan omlaten scholen

[01:09:48] bijvoorbeeld moeten gaan omlaten scholen naar een ander beroep ofzo. Frictie

[01:09:50] naar een ander beroep ofzo. Frictie werkeloosheid. Een ander woord voor

[01:09:52] werkeloosheid. Een ander woord voor frictie is wrijving. En dat wil

[01:09:54] frictie is wrijving. En dat wil eigenlijk dus zeggen als jij

[01:09:56] eigenlijk dus zeggen als jij bijvoorbeeld gaat verhuizen en je gaat

[01:09:58] bijvoorbeeld gaat verhuizen en je gaat van vandaag morgen verhuizen, heb je

[01:10:00] van vandaag morgen verhuizen, heb je overmorgen nog niet direct een baan.

[01:10:02] overmorgen nog niet direct een baan. Nou, korturende werkloosheid is dat

[01:10:04] Nou, korturende werkloosheid is dat bijvoorbeeld omdat je bent afgestudeerd,

[01:10:06] bijvoorbeeld omdat je bent afgestudeerd, omdat je bent verhuisd, noem maar even

[01:10:08] omdat je bent verhuisd, noem maar even op. Dat is frictiewerkelosheid.

[01:10:10] op. Dat is frictiewerkelosheid. De regionale werkeloosheid is dat er in

[01:10:12] De regionale werkeloosheid is dat er in bepaalde regio's meer werkeloosheid is.

[01:10:15] bepaalde regio's meer werkeloosheid is. Bijvoorbeeld in Zuid-Limburg of in

[01:10:17] Bijvoorbeeld in Zuid-Limburg of in Groningen. Omdat daar eh wel heel veel

[01:10:20] Groningen. Omdat daar eh wel heel veel mensen wonen, maar er gewoon wat minder

[01:10:21] mensen wonen, maar er gewoon wat minder beroepen zijn. Terwijl bijvoorbeeld in

[01:10:23] beroepen zijn. Terwijl bijvoorbeeld in de Randstad is er misschien veel minder

[01:10:25] de Randstad is er misschien veel minder regionale werkeloosheid. Het zou

[01:10:27] regionale werkeloosheid. Het zou overigens wel kunnen, want in Randstad

[01:10:29] overigens wel kunnen, want in Randstad zijn wel heel veel banen, maar daar

[01:10:30] zijn wel heel veel banen, maar daar wonen ook heel veel mensen. En dan

[01:10:32] wonen ook heel veel mensen. En dan hebben we als laatste de

[01:10:33] hebben we als laatste de seizoenswerkeloos zijn. En dat wil

[01:10:35] seizoenswerkeloos zijn. En dat wil eigenlijk zeggen dat er in bepaalde

[01:10:36] eigenlijk zeggen dat er in bepaalde seizoenen meer werklozen zijn. In

[01:10:38] seizoenen meer werklozen zijn. In Nederland is dat meer in de winter omdat

[01:10:41] Nederland is dat meer in de winter omdat in de zomer dan gaan de terrassen open

[01:10:42] in de zomer dan gaan de terrassen open en dan gaan alle pretpark weer open. Dan

[01:10:44] en dan gaan alle pretpark weer open. Dan gaan de zwembaden open. Dan zijn er veel

[01:10:46] gaan de zwembaden open. Dan zijn er veel meer mensen nodig en in de winter komen

[01:10:48] meer mensen nodig en in de winter komen zij thuis te zitten. Dus dat is de

[01:10:49] zij thuis te zitten. Dus dat is de seizoenswerkeloosheid.

[01:10:53] Gaan we naar de volgende. Bruto en

[01:10:54] Gaan we naar de volgende. Bruto en nettoesat. We zijn al over de helft

[01:10:56] nettoesat. We zijn al over de helft heen. Dus als je nog aan het kijken

[01:10:58] heen. Dus als je nog aan het kijken bent, helemaal top. Blijf vooral lekker

[01:11:00] bent, helemaal top. Blijf vooral lekker schrijven. Nou, bruto en nettooresat.

[01:11:04] schrijven. Nou, bruto en nettooresat. We zien ze hier staan bruto staan. Eh

[01:11:05] We zien ze hier staan bruto staan. Eh bruto en nettoesultaat is wat anders dan

[01:11:08] bruto en nettoesultaat is wat anders dan bruto en netto loon. Overigens dit gaat

[01:11:11] bruto en netto loon. Overigens dit gaat over het resultaat van een bedrijf. Nou,

[01:11:14] over het resultaat van een bedrijf. Nou, het begint altijd bij het berekenen van

[01:11:16] het begint altijd bij het berekenen van de omzet. Hoe berekenen we de omzet? Dat

[01:11:18] de omzet. Hoe berekenen we de omzet? Dat is de afzet keer de verkoopprijs. Let

[01:11:21] is de afzet keer de verkoopprijs. Let even op. Afzet was het aantal stuks en

[01:11:24] even op. Afzet was het aantal stuks en de verkoopprijs is altijd zonder de btw.

[01:11:27] de verkoopprijs is altijd zonder de btw. Want die BTW die krijgt een bedrijf wel

[01:11:29] Want die BTW die krijgt een bedrijf wel binnen maar is niet voor bedrijf. Dan

[01:11:32] binnen maar is niet voor bedrijf. Dan bereken je dus eigenlijk de omzet.

[01:11:33] bereken je dus eigenlijk de omzet. Hoeveel is er totaal binnengekomen bij

[01:11:35] Hoeveel is er totaal binnengekomen bij dat bedrijf? Dan hebben we min de

[01:11:38] dat bedrijf? Dan hebben we min de inkoopwaarde van de omzet. Nou is weer

[01:11:40] inkoopwaarde van de omzet. Nou is weer het aantal stuks keer de inkoopprijs

[01:11:43] het aantal stuks keer de inkoopprijs exclusief de BTW. Dus omzet min

[01:11:46] exclusief de BTW. Dus omzet min inkoopwaarde is brutoat.

[01:11:49] inkoopwaarde is brutoat. Als we dan naar alle andere kosten gaan

[01:11:51] Als we dan naar alle andere kosten gaan kijken die wat het bedrijf ook kan

[01:11:53] kijken die wat het bedrijf ook kan hebben, dus marketingkosten,

[01:11:55] hebben, dus marketingkosten, personeelskosten, gaswaterlicht, huur

[01:11:57] personeelskosten, gaswaterlicht, huur van het pand, noem maar even op. Al die

[01:12:00] van het pand, noem maar even op. Al die andere kosten noemen we bedrijfskosten.

[01:12:02] andere kosten noemen we bedrijfskosten. Dus het enige wat je niet bij

[01:12:04] Dus het enige wat je niet bij bedrijfskosten mag zetten is de inkoop

[01:12:06] bedrijfskosten mag zetten is de inkoop van de spullen. Nou, als je die nog van

[01:12:09] van de spullen. Nou, als je die nog van het brutoresat afhaalt, dan hou je

[01:12:11] het brutoresat afhaalt, dan hou je nettoresat hou je over. Als het bruto of

[01:12:15] nettoresat hou je over. Als het bruto of nettoresat positief is, spreek je van

[01:12:17] nettoresat positief is, spreek je van bruto of nettoinst.

[01:12:19] bruto of nettoinst. Is het bruto of nettooresat negatief,

[01:12:21] Is het bruto of nettooresat negatief, spreek je van bruto of netto verlies.

[01:12:24] spreek je van bruto of netto verlies. Staat ook hierbij. Let op, rekeningen

[01:12:27] Staat ook hierbij. Let op, rekeningen doen we in principe tenzij anders

[01:12:28] doen we in principe tenzij anders aangegeven altijd van de prijzen.

[01:12:31] aangegeven altijd van de prijzen. Exclusief de BTW.

[01:12:34] Exclusief de BTW. Nou, Renzo heeft 2002 telefoonhoesjes

[01:12:37] Nou, Renzo heeft 2002 telefoonhoesjes verkocht. Hij vraagt hier gemiddeld €10

[01:12:39] verkocht. Hij vraagt hier gemiddeld €10 per stuk voor. De hoesjes koopt hij in

[01:12:41] per stuk voor. De hoesjes koopt hij in voor gemiddeld €3. Daarnaast heeft hij

[01:12:43] voor gemiddeld €3. Daarnaast heeft hij personeelskosten €2000, reclamekosten

[01:12:46] personeelskosten €2000, reclamekosten €250 en overkosten eh €1200. Bereken

[01:12:51] €250 en overkosten eh €1200. Bereken zijn nettoresat. Nou, hier staat niks

[01:12:54] zijn nettoresat. Nou, hier staat niks over de BTW, dus ik ga er even vanuit

[01:12:56] over de BTW, dus ik ga er even vanuit dat je daar niks mee hoeft te doen. Maar

[01:12:58] dat je daar niks mee hoeft te doen. Maar eh anders moet je natuurlijk van die €10

[01:13:00] eh anders moet je natuurlijk van die €10 eerst een bedrag ex B2 maken. Maar dat

[01:13:02] eerst een bedrag ex B2 maken. Maar dat doen ze hier dus niet. Hier zeggen ze:

[01:13:04] doen ze hier dus niet. Hier zeggen ze: "He, weet je wat? 2000 stuks keer €10."

[01:13:07] "He, weet je wat? 2000 stuks keer €10." Dus hij krijgt in totaal €20.000 binnen.

[01:13:11] Dus hij krijgt in totaal €20.000 binnen. De inkoopwaarde is die 2000

[01:13:12] De inkoopwaarde is die 2000 telefoonhoesjes keer die €3 wat hij had

[01:13:16] telefoonhoesjes keer die €3 wat hij had €6.000. Dus ze wil zeggen dat het

[01:13:18] €6.000. Dus ze wil zeggen dat het brutesat 20- 6 is €14.000 000 is.

[01:13:23] brutesat 20- 6 is €14.000 000 is. Vervolgens moeten we alle andere kosten

[01:13:24] Vervolgens moeten we alle andere kosten ervanaf gaan halen. Dat is die €2000 wat

[01:13:27] ervanaf gaan halen. Dat is die €2000 wat hier staan, die €250 wat daar staan en

[01:13:30] hier staan, die €250 wat daar staan en die €1200 wat daar staan. Nou, totaal is

[01:13:33] die €1200 wat daar staan. Nou, totaal is dat €3450

[01:13:35] dat €3450 en dus is het nettooresat een positief

[01:13:38] en dus is het nettooresat een positief resultaat van €10.550.

[01:13:41] resultaat van €10.550. Dus Rento heeft een nettoinst en ook een

[01:13:46] Dus Rento heeft een nettoinst en ook een brutowinst. Het kan soms zo zijn

[01:13:48] brutowinst. Het kan soms zo zijn natuurlijk dat je wel brute winst hebt,

[01:13:49] natuurlijk dat je wel brute winst hebt, maar wel een netto verlies. Dat zou

[01:13:51] maar wel een netto verlies. Dat zou kunnen. Omgedraaid. Ja, dat is eigenlijk

[01:13:53] kunnen. Omgedraaid. Ja, dat is eigenlijk onmogelijk daarin. Dus dit is het bruto

[01:13:56] onmogelijk daarin. Dus dit is het bruto en het nettoresat.

[01:13:59] en het nettoresat. Ik heb het daar net al kort even over

[01:14:00] Ik heb het daar net al kort even over gehad. Aandelen. Aandelen zijn eigenlijk

[01:14:03] gehad. Aandelen. Aandelen zijn eigenlijk een stukje van een bedrijf. Een stukje

[01:14:05] een stukje van een bedrijf. Een stukje van het bedrijf wat je kan kopen. Nou eh

[01:14:07] van het bedrijf wat je kan kopen. Nou eh als het goed gaat met een bedrijf dan

[01:14:09] als het goed gaat met een bedrijf dan wordt dat stukje wat jij van het bedrijf

[01:14:11] wordt dat stukje wat jij van het bedrijf bezit ook iets meer waard. Waarom wordt

[01:14:13] bezit ook iets meer waard. Waarom wordt dat meer waard? omdat meer mensen jouw

[01:14:16] dat meer waard? omdat meer mensen jouw stukje van het bedrijf willen hebben. Ik

[01:14:18] stukje van het bedrijf willen hebben. Ik zeg altijd als je hier een klaslokaal

[01:14:19] zeg altijd als je hier een klaslokaal hebt, dan kan je allemaal een tafeltje

[01:14:21] hebt, dan kan je allemaal een tafeltje kopen. En als nu hier in de grond van

[01:14:23] kopen. En als nu hier in de grond van een klaslokaal een een goud eh eh heel

[01:14:26] een klaslokaal een een goud eh eh heel veel goud wordt gevonden, zeg maar, dan

[01:14:28] veel goud wordt gevonden, zeg maar, dan willen andere mensen die wat op de gang

[01:14:30] willen andere mensen die wat op de gang lopen ook graag jouw tafeltje hebben.

[01:14:32] lopen ook graag jouw tafeltje hebben. Nou, als zij graag dat tafeltje willen

[01:14:33] Nou, als zij graag dat tafeltje willen hebben, willen ze daar ook graag extra

[01:14:35] hebben, willen ze daar ook graag extra voor betalen en dus stijgt als het ware

[01:14:38] voor betalen en dus stijgt als het ware de prijs daarvan. Nou, als het niet zo

[01:14:40] de prijs daarvan. Nou, als het niet zo goed gaat met het bedrijf, dan wil het

[01:14:41] goed gaat met het bedrijf, dan wil het eigenlijk gewoon zeggen dat mensen

[01:14:43] eigenlijk gewoon zeggen dat mensen denken: "Ja, ik wil eigenlijk gewoon van

[01:14:45] denken: "Ja, ik wil eigenlijk gewoon van dat stukje van dat bedrijf wil ik gewoon

[01:14:46] dat stukje van dat bedrijf wil ik gewoon vanaf." Dus als hier niet goud in de

[01:14:48] vanaf." Dus als hier niet goud in de grond zit, maar asbest een schadelijke

[01:14:50] grond zit, maar asbest een schadelijke stof, ja, dan ga je natuurlijk zeggen

[01:14:52] stof, ja, dan ga je natuurlijk zeggen dat eh dat ik ik wil dat tafeltje zo

[01:14:55] dat eh dat ik ik wil dat tafeltje zo snel mogelijk verkopen. En dus gaat eh

[01:14:57] snel mogelijk verkopen. En dus gaat eh gaat het zeg maar eh ja, gaat de prijs

[01:15:00] gaat het zeg maar eh ja, gaat de prijs van het tafeltje en dus de waarde van

[01:15:02] van het tafeltje en dus de waarde van het aandeel gaat omlaag.

[01:15:04] het aandeel gaat omlaag. Eigenlijk wat je mensen dus willen is

[01:15:06] Eigenlijk wat je mensen dus willen is kopen als het tafeltje goedkoop is en

[01:15:08] kopen als het tafeltje goedkoop is en verkopen als het tafeltje duur is.

[01:15:10] verkopen als het tafeltje duur is. Eigenlijk werkt een beetje hetzelfde

[01:15:12] Eigenlijk werkt een beetje hetzelfde zoals met crypto.

[01:15:14] zoals met crypto. Nou, nu is het zo dat die bedrijven waar

[01:15:17] Nou, nu is het zo dat die bedrijven waar jij eigenaar van bent, die kunnen ook

[01:15:18] jij eigenaar van bent, die kunnen ook als zij winst maken een deel van de

[01:15:20] als zij winst maken een deel van de winst met jou delen, want jij bent

[01:15:22] winst met jou delen, want jij bent natuurlijk wel één van de eigenaren.

[01:15:24] natuurlijk wel één van de eigenaren. Nou, die winstuitkering, we hebben dat

[01:15:26] Nou, die winstuitkering, we hebben dat begin van het filmpje al een keer

[01:15:28] begin van het filmpje al een keer besproken, dat noemen ze ook wel

[01:15:29] besproken, dat noemen ze ook wel dividend. Dus stel nu even voor hè, je

[01:15:32] dividend. Dus stel nu even voor hè, je hebt van een eh bedrijf een aandeel

[01:15:34] hebt van een eh bedrijf een aandeel gekocht wat bijna failliet was. Dat

[01:15:36] gekocht wat bijna failliet was. Dat bedrijf is ineens winst gaan maken omdat

[01:15:37] bedrijf is ineens winst gaan maken omdat ze ineens de uitvinding van de EU

[01:15:39] ze ineens de uitvinding van de EU hebben. Dan is jouw aandeel heel veel

[01:15:41] hebben. Dan is jouw aandeel heel veel meer waard geworden. Je hebt misschien

[01:15:43] meer waard geworden. Je hebt misschien voor €1 per stuk gekocht en je hebt hij

[01:15:45] voor €1 per stuk gekocht en je hebt hij voor €20 per stuk is hij nu waard. Dus

[01:15:48] voor €20 per stuk is hij nu waard. Dus dan is hij al €19 per tafeltje in waarde

[01:15:51] dan is hij al €19 per tafeltje in waarde toegenomen. Maar dan zegt dat bedrijf

[01:15:53] toegenomen. Maar dan zegt dat bedrijf misschien ook nog een keer op het einde

[01:15:54] misschien ook nog een keer op het einde van het jaar: "Nou, leuk dat het

[01:15:55] van het jaar: "Nou, leuk dat het tafeltje eh hè 20 keer zoveel waard is

[01:15:58] tafeltje eh hè 20 keer zoveel waard is geworden, maar wij gaan jou ook een deel

[01:16:01] geworden, maar wij gaan jou ook een deel teruggeven als het ware van onze winst."

[01:16:03] teruggeven als het ware van onze winst." Dus nou dan kan je flink veel geld

[01:16:05] Dus nou dan kan je flink veel geld verdienen, maar je kan ook flink geld

[01:16:08] verdienen, maar je kan ook flink geld verliezen. Dus let op, dit is natuurlijk

[01:16:10] verliezen. Dus let op, dit is natuurlijk wel een risicootje wat je neemt. Nou,

[01:16:12] wel een risicootje wat je neemt. Nou, gaan we eens even kijken bij een vraag

[01:16:14] gaan we eens even kijken bij een vraag wat daarover staat. Je hebt 150 aandelen

[01:16:17] wat daarover staat. Je hebt 150 aandelen van bedrijf X gekocht in april 2017. Je

[01:16:21] van bedrijf X gekocht in april 2017. Je verkoopt ze weer in juli 2017. Hoeveel

[01:16:24] verkoopt ze weer in juli 2017. Hoeveel is de koerspins of het koersverlies op

[01:16:26] is de koerspins of het koersverlies op het totaal van deze aandelen? Nou, het

[01:16:28] het totaal van deze aandelen? Nou, het antwoord komt na de klik. Maar we gaan

[01:16:29] antwoord komt na de klik. Maar we gaan eens eerst kijken. 150 aandelen in april

[01:16:33] eens eerst kijken. 150 aandelen in april 17. Gaan we hier kijken. April 17. En

[01:16:36] 17. Gaan we hier kijken. April 17. En dan zien we dat de waarde

[01:16:39] dan zien we dat de waarde Ja, die zit hier ergens, hè. Wacht, moet

[01:16:41] Ja, die zit hier ergens, hè. Wacht, moet zeg ik het goed. Ja, die zit hier. Dus

[01:16:44] zeg ik het goed. Ja, die zit hier. Dus hè dan moet je dus gaan kijken die 150

[01:16:46] hè dan moet je dus gaan kijken die 150 aandelen moet je 150 keer die waarde Nou

[01:16:49] aandelen moet je 150 keer die waarde Nou zeg eens even dat hij rond de 21 zit

[01:16:51] zeg eens even dat hij rond de 21 zit €21,50 ja dus je gaat eerst Ik heb ze

[01:16:56] €21,50 ja dus je gaat eerst Ik heb ze aangekocht voor €150 keer €21 zoiets en

[01:17:00] aangekocht voor €150 keer €21 zoiets en ik heb ze verkocht in juli 2017.

[01:17:04] ik heb ze verkocht in juli 2017. Juli 2017 is de waarde 20. Dus eigenlijk

[01:17:08] Juli 2017 is de waarde 20. Dus eigenlijk ehm heb ik ze gekocht 150 keer €21,50

[01:17:12] ehm heb ik ze gekocht 150 keer €21,50 ongeveer. Dat zullen ze duidelijk wel

[01:17:13] ongeveer. Dat zullen ze duidelijk wel zeggen. En verkocht 150 keer eh keer 20.

[01:17:17] zeggen. En verkocht 150 keer eh keer 20. Nou, in dit geval heb je dus verlies

[01:17:19] Nou, in dit geval heb je dus verlies gemaakt, want april 2017 stond hij nog

[01:17:22] gemaakt, want april 2017 stond hij nog hoger dan in juli 2017. Dus ja, is $2.

[01:17:28] hoger dan in juli 2017. Dus ja, is $2. Eh het had ook 2150 kunnen zijn, maar

[01:17:30] Eh het had ook 2150 kunnen zijn, maar goed, ze zijn even bij benadering van $2

[01:17:32] goed, ze zijn even bij benadering van $2 uitgegaan. Hij is in juli $20 waard.

[01:17:35] uitgegaan. Hij is in juli $20 waard. Tiek op wel. Dus eigenlijk heb je $2 per

[01:17:38] Tiek op wel. Dus eigenlijk heb je $2 per aandeel verloren. Dus 150 aandelen keer

[01:17:43] aandeel verloren. Dus 150 aandelen keer $2. Dus jouw verlies is in totaal $300

[01:17:47] $2. Dus jouw verlies is in totaal $300 daarin. Nou lijkt me vrij duidelijk. Nu

[01:17:51] daarin. Nou lijkt me vrij duidelijk. Nu kan je natuurlijk ook winst maken, want

[01:17:52] kan je natuurlijk ook winst maken, want als jij bijvoorbeeld eh hier eh hier

[01:17:55] als jij bijvoorbeeld eh hier eh hier hebt gekocht en daar verkocht, dan heb

[01:17:57] hebt gekocht en daar verkocht, dan heb je natuurlijk weer een paar dollar winst

[01:17:59] je natuurlijk weer een paar dollar winst gemaakt. Let op hoeveel aandelen dat je

[01:18:01] gemaakt. Let op hoeveel aandelen dat je hebt. Nou, tijd om even adem te halen.

[01:18:06] hebt. Nou, tijd om even adem te halen. Zo, allemaal weer bijgekomen, want we

[01:18:08] Zo, allemaal weer bijgekomen, want we gaan naar het volgende onderwerp en dat

[01:18:09] gaan naar het volgende onderwerp en dat is vaste en variabele kosten. Stel even

[01:18:12] is vaste en variabele kosten. Stel even voor, we hebben een fabriek waar

[01:18:13] voor, we hebben een fabriek waar schoenen geproduceerd worden. Dan hebben

[01:18:15] schoenen geproduceerd worden. Dan hebben we vaste en variabele kosten. Vaste

[01:18:17] we vaste en variabele kosten. Vaste kosten die zijn onafhankelijk van de

[01:18:19] kosten die zijn onafhankelijk van de productiegrootte. Daar bedoelen we

[01:18:21] productiegrootte. Daar bedoelen we eigenlijk mee. Het maakt niet uit of je

[01:18:22] eigenlijk mee. Het maakt niet uit of je één paar schoenen of 100.000 paar

[01:18:24] één paar schoenen of 100.000 paar schoenen per week of per maand maakt.

[01:18:25] schoenen per week of per maand maakt. Die kosten zijn hetzelfde. Dus

[01:18:27] Die kosten zijn hetzelfde. Dus bijvoorbeeld de huur van het pand, gas,

[01:18:29] bijvoorbeeld de huur van het pand, gas, water en licht. Kosten voor het vaste

[01:18:31] water en licht. Kosten voor het vaste personeel. Want heel veel leerlingen

[01:18:32] personeel. Want heel veel leerlingen zeggen dan voor het personeel, dat is

[01:18:34] zeggen dan voor het personeel, dat is eigenlijk geen goed antwoord, want je

[01:18:35] eigenlijk geen goed antwoord, want je moet voor het vaste personeel, want die

[01:18:37] moet voor het vaste personeel, want die moet je betalen. Eh flexibel personeel

[01:18:40] moet je betalen. Eh flexibel personeel kan je in principe niet laten werken als

[01:18:42] kan je in principe niet laten werken als je dat zou willen. Dus eh verzekering en

[01:18:44] je dat zou willen. Dus eh verzekering en dergelijke die zijn altijd vast.

[01:18:47] dergelijke die zijn altijd vast. Variabele kosten die zijn afhankelijk

[01:18:49] Variabele kosten die zijn afhankelijk van Q oftewel afhankelijk van de

[01:18:51] van Q oftewel afhankelijk van de productiegrootte. Daar bedoelen we mee.

[01:18:53] productiegrootte. Daar bedoelen we mee. Bijvoorbeeld materiaalkosten,

[01:18:54] Bijvoorbeeld materiaalkosten, bijvoorbeeld veters of leer of

[01:18:56] bijvoorbeeld veters of leer of dergelijke. Kosten van het overige

[01:18:57] dergelijke. Kosten van het overige personeel. Verzendkosten is natuurlijk

[01:19:00] personeel. Verzendkosten is natuurlijk als je meer schoenen gaat verkopen of

[01:19:01] als je meer schoenen gaat verkopen of meer schoenen gaat produceren, dan moet

[01:19:03] meer schoenen gaat produceren, dan moet je ook weer meer verzenden. Eh commissie

[01:19:05] je ook weer meer verzenden. Eh commissie voor verkopers et cetera. Dat zijn

[01:19:07] voor verkopers et cetera. Dat zijn eigenlijk vaste en variabele kosten.

[01:19:09] eigenlijk vaste en variabele kosten. Nou, vervolgens het volgende onderdeel

[01:19:11] Nou, vervolgens het volgende onderdeel wat ook vaker terugkomt zijn de

[01:19:12] wat ook vaker terugkomt zijn de kredietvormen. Welke kredietvormen?

[01:19:14] kredietvormen. Welke kredietvormen? Krediet is een ander woord voor geld dat

[01:19:16] Krediet is een ander woord voor geld dat je krijgt. Nou, we hebben eigenlijk drie

[01:19:18] je krijgt. Nou, we hebben eigenlijk drie soorten kredietvormen. Ik zie deze wat

[01:19:19] soorten kredietvormen. Ik zie deze wat minder terugkomen in examens. Op de

[01:19:22] minder terugkomen in examens. Op de eerste plek is een persoonlijke lening.

[01:19:23] eerste plek is een persoonlijke lening. Persoonlijke lening is eigenlijk dat je

[01:19:25] Persoonlijke lening is eigenlijk dat je een vaste looptijd hebt. Dus je leent

[01:19:26] een vaste looptijd hebt. Dus je leent geld en je weet precies wat de vorig

[01:19:28] geld en je weet precies wat de vorig jaar gaat dat voor drie jaar ga ik dat

[01:19:30] jaar gaat dat voor drie jaar ga ik dat lenen. Een vaste rente en dus blijven

[01:19:32] lenen. Een vaste rente en dus blijven die termijnbedragen blijven gelijk. Een

[01:19:35] die termijnbedragen blijven gelijk. Een doorlopend krediet eh is eigenlijk

[01:19:37] doorlopend krediet eh is eigenlijk gewoon dat je tussentijds mag opnemen.

[01:19:39] gewoon dat je tussentijds mag opnemen. Dus eigenlijk zeggen ze dan: "Nou, je

[01:19:40] Dus eigenlijk zeggen ze dan: "Nou, je leent zoveel geld, maar je mag

[01:19:41] leent zoveel geld, maar je mag tussentijds nog een keer erbij nemen."

[01:19:43] tussentijds nog een keer erbij nemen." Maar de rente die schuift daarin ook.

[01:19:46] Maar de rente die schuift daarin ook. Dus soms is hij positief geschoven en

[01:19:48] Dus soms is hij positief geschoven en soms is hij negatief geschoven. En een

[01:19:50] soms is hij negatief geschoven. En een salariskrediet betekent eigenlijk dat je

[01:19:53] salariskrediet betekent eigenlijk dat je rood mag staan. Rood staan betekent

[01:19:55] rood mag staan. Rood staan betekent eigenlijk dat jij in de min mag staan op

[01:19:57] eigenlijk dat jij in de min mag staan op jouw betaalrekening. Ja. Dus dan moet je

[01:19:59] jouw betaalrekening. Ja. Dus dan moet je met jouw bank eh moet je dat afspreken.

[01:20:01] met jouw bank eh moet je dat afspreken. Vaak doen ze dat op basis van jouw

[01:20:03] Vaak doen ze dat op basis van jouw salaris. Ehm en de rente is relatief

[01:20:07] salaris. Ehm en de rente is relatief hoog. Ik zie nogmaals hier weinig

[01:20:09] hoog. Ik zie nogmaals hier weinig opgaves over komen, maar je zal ze wel

[01:20:11] opgaves over komen, maar je zal ze wel moeten weten.

[01:20:13] moeten weten. Dan vaker vraagt de marktvormen. Nou,

[01:20:16] Dan vaker vraagt de marktvormen. Nou, marktvormen zien we hier staan. We

[01:20:18] marktvormen zien we hier staan. We hebben eigenlijk eh eigenlijk hebben we

[01:20:20] hebben eigenlijk eh eigenlijk hebben we er een paar, maar in sommige methodes

[01:20:23] er een paar, maar in sommige methodes staat dit anders uitgelegd. Dus het kan

[01:20:24] staat dit anders uitgelegd. Dus het kan best zijn zeggen: "Maar ik weet niet wat

[01:20:26] best zijn zeggen: "Maar ik weet niet wat een heterroeen oliepolie is." Eigenlijk

[01:20:28] een heterroeen oliepolie is." Eigenlijk worden er vier altijd behandeld in de

[01:20:30] worden er vier altijd behandeld in de boeken. Dat is een monopolie, is het

[01:20:32] boeken. Dat is een monopolie, is het oligopolie, monopolistische concurrentie

[01:20:34] oligopolie, monopolistische concurrentie en volkomen concurrentie. Nou, monopolie

[01:20:37] en volkomen concurrentie. Nou, monopolie gaan we vooral kijken naar de

[01:20:39] gaan we vooral kijken naar de aanbieders, hè. Want de vragers zijn er

[01:20:40] aanbieders, hè. Want de vragers zijn er altijd eigenlijk wel veel hè. Bij

[01:20:42] altijd eigenlijk wel veel hè. Bij monopoli, Mono is ook wel één, heb je

[01:20:45] monopoli, Mono is ook wel één, heb je één aanbieder die wat een product

[01:20:47] één aanbieder die wat een product aanbiedt. Ja, dus dat is een homogeen

[01:20:50] aanbiedt. Ja, dus dat is een homogeen product. Een homogeen product is

[01:20:51] product. Een homogeen product is eigenlijk een product waar de mensen

[01:20:53] eigenlijk een product waar de mensen geen verschillen in zien. Dus

[01:20:55] geen verschillen in zien. Dus bijvoorbeeld ook zout en dergelijke en

[01:20:57] bijvoorbeeld ook zout en dergelijke en komkommers en aardappelen. Daar kan je

[01:20:59] komkommers en aardappelen. Daar kan je in dat geval is dat gene monopolie. Dat

[01:21:01] in dat geval is dat gene monopolie. Dat zijn heel veel bedrijven. Maar homogeen

[01:21:04] zijn heel veel bedrijven. Maar homogeen betekent dus eigenlijk dat je een

[01:21:05] betekent dus eigenlijk dat je een product hebt waar mensen denken: "Ja, ik

[01:21:06] product hebt waar mensen denken: "Ja, ik zie het verschil niet echt." Nou,

[01:21:08] zie het verschil niet echt." Nou, monopolie is dus één aanbieder. Er zijn

[01:21:11] monopolie is dus één aanbieder. Er zijn heel veel vragers. Het is een ja, dus is

[01:21:13] heel veel vragers. Het is een ja, dus is één product. En bijvoorbeeld is dat de

[01:21:16] één product. En bijvoorbeeld is dat de NS op bepaalde trajecten. Ja. Als we

[01:21:18] NS op bepaalde trajecten. Ja. Als we bijvoorbeeld de NS verbinding tussen

[01:21:20] bijvoorbeeld de NS verbinding tussen Roermond en Weert kijken, dan hebben is

[01:21:22] Roermond en Weert kijken, dan hebben is er maar één aanbieder die wat je daar wa

[01:21:25] er maar één aanbieder die wat je daar wa hè op het eh op het spoornet neemt. Nu

[01:21:27] hè op het eh op het spoornet neemt. Nu zijn sommige trajecten heb je

[01:21:29] zijn sommige trajecten heb je bijvoorbeeld de NS die wat dan zeg maar

[01:21:31] bijvoorbeeld de NS die wat dan zeg maar de intercity heeft en hij heeft een

[01:21:33] de intercity heeft en hij heeft een ander bedrijf zoals de Arriva heeft dan

[01:21:34] ander bedrijf zoals de Arriva heeft dan de stoptrein. Ja, dan is het ook geen

[01:21:37] de stoptrein. Ja, dan is het ook geen monopolie meer. Ja, maar op sommige

[01:21:39] monopolie meer. Ja, maar op sommige trajecten is dit dus een eh monopolie.

[01:21:42] trajecten is dit dus een eh monopolie. Als er dus één aanbieder is. Nou, een

[01:21:44] Als er dus één aanbieder is. Nou, een oligopolie betekent eigenlijk dat er een

[01:21:46] oligopolie betekent eigenlijk dat er een paar aanbieders zijn. Ik zeg meestal tw

[01:21:49] paar aanbieders zijn. Ik zeg meestal tw vier of vif. Eigenlijk maximaal wel

[01:21:51] vier of vif. Eigenlijk maximaal wel vijf. Een paar aanbieders, heel veel

[01:21:54] vijf. Een paar aanbieders, heel veel vragers. Het enige verschil is dat bij

[01:21:56] vragers. Het enige verschil is dat bij een heteroggeen olie oligopolie

[01:21:59] een heteroggeen olie oligopolie gaat het om een heterrogeen product. Dus

[01:22:01] gaat het om een heterrogeen product. Dus bijvoorbeeld mbo onderwijs zijn niet

[01:22:04] bijvoorbeeld mbo onderwijs zijn niet super veel aanbieders van mbo onderwijs,

[01:22:06] super veel aanbieders van mbo onderwijs, maar er zit natuurlijk echt wel verschil

[01:22:08] maar er zit natuurlijk echt wel verschil in die opleidingen. Eh internet is

[01:22:11] in die opleidingen. Eh internet is daarin al een ja, dan moet je het echt

[01:22:13] daarin al een ja, dan moet je het echt al over snelheid gaan hebben. Dan zou je

[01:22:16] al over snelheid gaan hebben. Dan zou je inderdaad zeggen: "Nou, dat is

[01:22:17] inderdaad zeggen: "Nou, dat is heteroggeen." Maar een homogeen

[01:22:19] heteroggeen." Maar een homogeen oligopolie, dat is dus dat er een paar

[01:22:21] oligopolie, dat is dus dat er een paar aanbieders bijna hetzelfde product

[01:22:23] aanbieders bijna hetzelfde product aanbieden. Nou elektriciteit, ja, mensen

[01:22:26] aanbieden. Nou elektriciteit, ja, mensen gaan geen verschil zien of je

[01:22:27] gaan geen verschil zien of je elektriciteit hebt van bedrijf A of van

[01:22:29] elektriciteit hebt van bedrijf A of van bedrijf B. gas, olie en dergelijke.

[01:22:32] bedrijf B. gas, olie en dergelijke. Brandstof misschien ook nog wel. Dat

[01:22:34] Brandstof misschien ook nog wel. Dat zijn allemaal oligopolies waar zeg maar

[01:22:37] zijn allemaal oligopolies waar zeg maar eh een paar aanbieders zijn die wat dan

[01:22:40] eh een paar aanbieders zijn die wat dan alle vragers doen bedienen. Dan hebben

[01:22:42] alle vragers doen bedienen. Dan hebben we dan het verschil tussen

[01:22:43] we dan het verschil tussen monopolistische concurrentie en volkomen

[01:22:45] monopolistische concurrentie en volkomen concurrentie. Nou, allebei is dat je

[01:22:47] concurrentie. Nou, allebei is dat je heel veel aanbieders hebt. Normaal

[01:22:49] heel veel aanbieders hebt. Normaal gesproken ze eigenlijk vanaf 10 ongeveer

[01:22:51] gesproken ze eigenlijk vanaf 10 ongeveer hè, maar dat kunnen er honderden

[01:22:52] hè, maar dat kunnen er honderden honderden zijn. Monopolistische

[01:22:55] honderden zijn. Monopolistische concurrentie is dat je een heterogeen

[01:22:57] concurrentie is dat je een heterogeen product hebt. Dus je hebt heel veel

[01:22:58] product hebt. Dus je hebt heel veel aanbod eh voor een product waar mensen

[01:23:00] aanbod eh voor een product waar mensen echt wel verschillen in zien.

[01:23:01] echt wel verschillen in zien. Bijvoorbeeld televisies. Ja. Of eh

[01:23:04] Bijvoorbeeld televisies. Ja. Of eh kleding bijvoorbeeld. Heel veel

[01:23:06] kleding bijvoorbeeld. Heel veel aanbieders, heel veel vragers, maar het

[01:23:08] aanbieders, heel veel vragers, maar het product is echt wel anders in de ogen

[01:23:10] product is echt wel anders in de ogen van de mensen. Dus kleding is wel

[01:23:12] van de mensen. Dus kleding is wel monopolistische concurrentie. En

[01:23:14] monopolistische concurrentie. En volkomen concurrentie is heel veel

[01:23:16] volkomen concurrentie is heel veel aanbieders, ook weer meer dan 10, heel

[01:23:17] aanbieders, ook weer meer dan 10, heel veel vragers, maar product is homogeen.

[01:23:20] veel vragers, maar product is homogeen. Dus denk bijvoorbeeld daarbij aan suiker

[01:23:22] Dus denk bijvoorbeeld daarbij aan suiker of aan rijst en dergelijke. Nou, dat

[01:23:25] of aan rijst en dergelijke. Nou, dat zijn eigenlijk de marktvormen zoals jij

[01:23:27] zijn eigenlijk de marktvormen zoals jij ze moet kennen. Let op, ook hier voor

[01:23:29] ze moet kennen. Let op, ook hier voor geld. Je hebt natuurlijk andere filmpjes

[01:23:31] geld. Je hebt natuurlijk andere filmpjes die wat dit nog wat uitgebreider

[01:23:32] die wat dit nog wat uitgebreider behandelen.

[01:23:34] behandelen. Dan hebben we de sectoren. Die zien we

[01:23:36] Dan hebben we de sectoren. Die zien we ook wel vaak op examens terugkomen. Nou,

[01:23:38] ook wel vaak op examens terugkomen. Nou, de primaire sector zeggen we prime

[01:23:40] de primaire sector zeggen we prime primair is eigenlijk de basis. Dus de

[01:23:42] primair is eigenlijk de basis. Dus de landbouw, de tuinbouw, de visserij. Ja.

[01:23:44] landbouw, de tuinbouw, de visserij. Ja. Dus zij halen als het ware de

[01:23:46] Dus zij halen als het ware de grondstoffen op. Vervolgens in de

[01:23:48] grondstoffen op. Vervolgens in de secundaire eh sector wordt dat verwerkt.

[01:23:51] secundaire eh sector wordt dat verwerkt. Daar bedoelen ze eigenlijk mee. Daar

[01:23:53] Daar bedoelen ze eigenlijk mee. Daar gaan ze daar mee aan de slag en dan gaan

[01:23:54] gaan ze daar mee aan de slag en dan gaan ze er een product van maken. Dus

[01:23:55] ze er een product van maken. Dus bijvoorbeeld de boer die wat de

[01:23:57] bijvoorbeeld de boer die wat de aardappelen doet rooien, die zit in de

[01:23:59] aardappelen doet rooien, die zit in de primaire sector. Een secundaire sector

[01:24:02] primaire sector. Een secundaire sector is dan eigenlijk dat je bijvoorbeeld

[01:24:03] is dan eigenlijk dat je bijvoorbeeld zegt: "Nou, bijvoorbeeld een bedrijf

[01:24:04] zegt: "Nou, bijvoorbeeld een bedrijf zoals lees, die gaan aardappelen wassen,

[01:24:06] zoals lees, die gaan aardappelen wassen, die gaan ze snijden, gaan ze een smaakje

[01:24:08] die gaan ze snijden, gaan ze een smaakje geven en die gaan ze een zakje doen."

[01:24:10] geven en die gaan ze een zakje doen." Dus de verwerking is de secundaire

[01:24:12] Dus de verwerking is de secundaire sector. Dan hebben we de tertire sector.

[01:24:14] sector. Dan hebben we de tertire sector. Dat is de commerciële dienstverlening.

[01:24:17] Dat is de commerciële dienstverlening. Commercieel is op winst gericht. Dus

[01:24:20] Commercieel is op winst gericht. Dus commerciële dienstverlening wil

[01:24:21] commerciële dienstverlening wil eigenlijk zeggen dus dat je eh dat je

[01:24:23] eigenlijk zeggen dus dat je eh dat je bijvoorbeeld hè eh winkels die streven

[01:24:26] bijvoorbeeld hè eh winkels die streven naar winst. Ja. Dus dat zijn diensten of

[01:24:29] naar winst. Ja. Dus dat zijn diensten of producten die wat verleend worden.

[01:24:30] producten die wat verleend worden. Commerciële dienstening is bijvoorbeeld

[01:24:32] Commerciële dienstening is bijvoorbeeld ook in kapper. die zit bij de tertij

[01:24:34] ook in kapper. die zit bij de tertij sector en de kwartaire sector is niet

[01:24:37] sector en de kwartaire sector is niet commerciële dienstverlening. Nou

[01:24:38] commerciële dienstverlening. Nou eigenlijk wat ik nu aan het doen ben is

[01:24:40] eigenlijk wat ik nu aan het doen ben is niet commerciële dienstverlening, want

[01:24:41] niet commerciële dienstverlening, want ik ga jullie helemaal gratis deze eh

[01:24:44] ik ga jullie helemaal gratis deze eh lessen geven. Onderwijs, zorg en eh

[01:24:48] lessen geven. Onderwijs, zorg en eh politie zijn voorbeelden van de

[01:24:50] politie zijn voorbeelden van de kwartaire sector.

[01:24:52] kwartaire sector. Dan hebben we soorten uitgaven.

[01:24:54] Dan hebben we soorten uitgaven. Dagelijks vast en incidenteel.

[01:24:57] Dagelijks vast en incidenteel. Dagelijkse uitgaven zijn bijvoorbeeld

[01:24:58] Dagelijkse uitgaven zijn bijvoorbeeld boodschappen op benzine. Die moet je

[01:25:00] boodschappen op benzine. Die moet je bijna iedere dag doen. Vaste lasten die

[01:25:03] bijna iedere dag doen. Vaste lasten die komen iedere periode terug. Dus

[01:25:05] komen iedere periode terug. Dus bijvoorbeeld iedere week of iedere

[01:25:06] bijvoorbeeld iedere week of iedere maand. Denk bijvoorbeeld aan

[01:25:07] maand. Denk bijvoorbeeld aan abonnementen. Ja. Of huur bijvoorbeeld.

[01:25:10] abonnementen. Ja. Of huur bijvoorbeeld. Die betaal je één keer per maand. En

[01:25:12] Die betaal je één keer per maand. En incidentele uitgaven zijn uitgaven die

[01:25:14] incidentele uitgaven zijn uitgaven die wat je af en toe doet. Bijvoorbeeld als

[01:25:16] wat je af en toe doet. Bijvoorbeeld als de tv kapot is of de wasmachine is kapot

[01:25:19] de tv kapot is of de wasmachine is kapot dan moet je die vervangen. Dat is

[01:25:21] dan moet je die vervangen. Dat is incidenteel. Af en toe.

[01:25:24] incidenteel. Af en toe. Handel. Gaan we dan naartoe? Nou, steeds

[01:25:26] Handel. Gaan we dan naartoe? Nou, steeds meer landen handelen met elkaar. Dat

[01:25:28] meer landen handelen met elkaar. Dat komt door globalisering. De wereld is in

[01:25:31] komt door globalisering. De wereld is in omvang niet kleiner geworden, maar voor

[01:25:33] omvang niet kleiner geworden, maar voor ons lijkt hij wel kleiner. Dat komt

[01:25:35] ons lijkt hij wel kleiner. Dat komt natuurlijk vooral door de opkomst van

[01:25:37] natuurlijk vooral door de opkomst van het internet. Nou eh het is natuurlijk

[01:25:39] het internet. Nou eh het is natuurlijk zo dat binnen die handel, omdat we weten

[01:25:42] zo dat binnen die handel, omdat we weten wat nu aan de andere kant van de wereld

[01:25:43] wat nu aan de andere kant van de wereld te koop is, gaan we dus ook meer

[01:25:45] te koop is, gaan we dus ook meer handelen. Denk me eens aan AliExpress en

[01:25:48] handelen. Denk me eens aan AliExpress en Alibaba, dat soort zaken. 10 jaar, 15

[01:25:50] Alibaba, dat soort zaken. 10 jaar, 15 jaar geleden wist niemand daar iets van.

[01:25:52] jaar geleden wist niemand daar iets van. Nu wel. En daardoor kunnen we nu gaan

[01:25:54] Nu wel. En daardoor kunnen we nu gaan importeren en exporteren. Nou, wat is

[01:25:57] importeren en exporteren. Nou, wat is het verschil? Import is dus eigenlijk

[01:25:59] het verschil? Import is dus eigenlijk dat je gaat zeggen: "We gaan het van een

[01:26:00] dat je gaat zeggen: "We gaan het van een ander land naar ons land toe halen." Dus

[01:26:03] ander land naar ons land toe halen." Dus wij importeren producten uit China. En

[01:26:06] wij importeren producten uit China. En export is eigenlijk een product dat van

[01:26:08] export is eigenlijk een product dat van Nederland naar een ander land toe gaat.

[01:26:12] Nederland naar een ander land toe gaat. Nou, import en export. Eh extra handelen

[01:26:15] Nou, import en export. Eh extra handelen is in principe goed voor de consument,

[01:26:18] is in principe goed voor de consument, hè. Hè, dus als er meer wordt gehandeld,

[01:26:19] hè. Hè, dus als er meer wordt gehandeld, heb je een veel meer keuze. En als er

[01:26:21] heb je een veel meer keuze. En als er meer keuze is, dan zakken de prijzen

[01:26:23] meer keuze is, dan zakken de prijzen waarschijnlijk. Denk heel even terug net

[01:26:25] waarschijnlijk. Denk heel even terug net aan het monopolie. Ja, als jij één

[01:26:27] aan het monopolie. Ja, als jij één bedrijf bent die iets aanbiedt, ja, dan

[01:26:29] bedrijf bent die iets aanbiedt, ja, dan kan je natuurlijk doen en laten met die

[01:26:31] kan je natuurlijk doen en laten met die prijs wat je wil. Als je heel veel

[01:26:32] prijs wat je wil. Als je heel veel aanbieders hebt, dan gaan die toch tegen

[01:26:34] aanbieders hebt, dan gaan die toch tegen elkaar concurreren op het gebied van

[01:26:35] elkaar concurreren op het gebied van prijzen. Nou, ook voor de producenters,

[01:26:38] prijzen. Nou, ook voor de producenters, voor bedrijf kan het goed zijn, want als

[01:26:40] voor bedrijf kan het goed zijn, want als jij meer concurrentie krijgt, dan moet

[01:26:42] jij meer concurrentie krijgt, dan moet je wel echt scherp blijven op

[01:26:43] je wel echt scherp blijven op bijvoorbeeld de kwaliteit of op de prijs

[01:26:45] bijvoorbeeld de kwaliteit of op de prijs van je product. En je moet dus meer

[01:26:47] van je product. En je moet dus meer innoveren. Innoveren betekent meer gaan

[01:26:50] innoveren. Innoveren betekent meer gaan vernieuwen. Als jij toch maar de enige

[01:26:52] vernieuwen. Als jij toch maar de enige bent en is geen enkel ander bedrijf die

[01:26:53] bent en is geen enkel ander bedrijf die wat jou eh achter de volle aan zit, dan

[01:26:56] wat jou eh achter de volle aan zit, dan hoef je dus ook niet te innoveren. Soms

[01:26:59] hoef je dus ook niet te innoveren. Soms moet de overheid ook ingrijpen. Dus

[01:27:01] moet de overheid ook ingrijpen. Dus bijvoorbeeld moeten ze gaan zeggen: "Ho,

[01:27:03] bijvoorbeeld moeten ze gaan zeggen: "Ho, maar wacht heel even. Dat is wat Trump

[01:27:04] maar wacht heel even. Dat is wat Trump en zo en dergelijke doen. Die gaan heel

[01:27:06] en zo en dergelijke doen. Die gaan heel veel hun eigen bedrijven beschermen. Dat

[01:27:08] veel hun eigen bedrijven beschermen. Dat noemen ze ook wel protectie. Komen we

[01:27:11] noemen ze ook wel protectie. Komen we dadelijk bij terug. Maar soms moet de

[01:27:13] dadelijk bij terug. Maar soms moet de overheid ook zeggen: "Ho, maar wacht

[01:27:14] overheid ook zeggen: "Ho, maar wacht eens even. We gaan onze klanten

[01:27:15] eens even. We gaan onze klanten beschermen. Dus bijvoorbeeld risicovolle

[01:27:18] beschermen. Dus bijvoorbeeld risicovolle producten uit China bijvoorbeeld. Daar

[01:27:20] producten uit China bijvoorbeeld. Daar zeggen ze nu weer van: "Ja, die mogen we

[01:27:22] zeggen ze nu weer van: "Ja, die mogen we niet gaan gebruiken." Bijvoorbeeld denk

[01:27:24] niet gaan gebruiken." Bijvoorbeeld denk aan telefoonopladers die wat kunnen

[01:27:25] aan telefoonopladers die wat kunnen ontploffen of powerbanks die wat kunnen

[01:27:27] ontploffen of powerbanks die wat kunnen ontploffen. Dus de overheid houdt zich

[01:27:29] ontploffen. Dus de overheid houdt zich eigenlijk afzijdig. Tenzij dat ze soms

[01:27:32] eigenlijk afzijdig. Tenzij dat ze soms misschien eigen bedrijven moeten gaan

[01:27:33] misschien eigen bedrijven moeten gaan beschermen. Dan gaan ze producten

[01:27:35] beschermen. Dan gaan ze producten verbieden uit het buitenland. Of als de

[01:27:37] verbieden uit het buitenland. Of als de klant beschermd moet worden, dan ga je

[01:27:39] klant beschermd moet worden, dan ga je misschien ook zeggen: "Ja, we moeten

[01:27:40] misschien ook zeggen: "Ja, we moeten inderdaad onze klanten gaan beschermen."

[01:27:42] inderdaad onze klanten gaan beschermen." Dat gaat allemaal over die handel.

[01:27:45] Dat gaat allemaal over die handel. Nou, protectie heb ik er net al over

[01:27:47] Nou, protectie heb ik er net al over gehad. Hoe kan de Europese Unie

[01:27:49] gehad. Hoe kan de Europese Unie bijvoorbeeld nou beschermen? To protect

[01:27:52] bijvoorbeeld nou beschermen? To protect protectie. Nou, eigenlijk kennen we er

[01:27:54] protectie. Nou, eigenlijk kennen we er vier voornamelijk. De eerste is de

[01:27:56] vier voornamelijk. De eerste is de invoerrechten. En de invoerrechten is

[01:27:58] invoerrechten. En de invoerrechten is dus eigenlijk dat je gaat zeggen: "We

[01:28:00] dus eigenlijk dat je gaat zeggen: "We gaan extra belasting heffen op producten

[01:28:02] gaan extra belasting heffen op producten die wat uit het buitenland komen."

[01:28:04] die wat uit het buitenland komen." Contingenteringen kan dat je eigenlijk

[01:28:06] Contingenteringen kan dat je eigenlijk gaat zeggen tegen China bijvoorbeeld:

[01:28:07] gaat zeggen tegen China bijvoorbeeld: "Jullie mogen maximaal 1 miljoen auto's

[01:28:10] "Jullie mogen maximaal 1 miljoen auto's per jaar in de EU invoeren." Nou, wat

[01:28:12] per jaar in de EU invoeren." Nou, wat krijg je dan? Omdat de EU zelf veel meer

[01:28:15] krijg je dan? Omdat de EU zelf veel meer auto's gaat verkopen. Omdat ja, als ze

[01:28:16] auto's gaat verkopen. Omdat ja, als ze aan die 1 miljoen zitten, dan moeten

[01:28:18] aan die 1 miljoen zitten, dan moeten mensen weer overschakelen op auto's uit

[01:28:20] mensen weer overschakelen op auto's uit de EU. Dat is een contingentering. Ze

[01:28:23] de EU. Dat is een contingentering. Ze kunnen natuurlijk ook zeggen: "We gaan

[01:28:24] kunnen natuurlijk ook zeggen: "We gaan onze eigen bedrijven een beetje subsidie

[01:28:26] onze eigen bedrijven een beetje subsidie geven, een beetje geld geven, zodat zij

[01:28:28] geven, een beetje geld geven, zodat zij de prijzen kunnen laten dalen." Je moet

[01:28:30] de prijzen kunnen laten dalen." Je moet je namelijk voorstellen als jij eh een

[01:28:32] je namelijk voorstellen als jij eh een auto hebt eh hebt die wat naar het

[01:28:34] auto hebt eh hebt die wat naar het buitenland gaat verkocht worden hier uit

[01:28:35] buitenland gaat verkocht worden hier uit Europa van €50.000. En als Europese Unie

[01:28:38] Europa van €50.000. En als Europese Unie dan zegt: "Maar het bedrijf krijgt per

[01:28:40] dan zegt: "Maar het bedrijf krijgt per auto die ze verkopen buiten Europa

[01:28:42] auto die ze verkopen buiten Europa €10.000. 000, dan kost die auto dus voor

[01:28:44] €10.000. 000, dan kost die auto dus voor het bedrijf eigenlijk maar €40.000. Dan

[01:28:46] het bedrijf eigenlijk maar €40.000. Dan kan je dus veel beter de concurrentie

[01:28:48] kan je dus veel beter de concurrentie aangaan met die andere bedrijven. En

[01:28:51] aangaan met die andere bedrijven. En soms kunnen ze natuurlijk ook een

[01:28:52] soms kunnen ze natuurlijk ook een exportverbod instellen, hè, of een

[01:28:54] exportverbod instellen, hè, of een importverbod, hè. Eh je soms mag je niet

[01:28:57] importverbod, hè. Eh je soms mag je niet meer exporteren buiten de EU eh maar

[01:28:59] meer exporteren buiten de EU eh maar soms mogen wij ook niet meer importeren,

[01:29:01] soms mogen wij ook niet meer importeren, hè. Dus een verbod is eigenlijk de meest

[01:29:03] hè. Dus een verbod is eigenlijk de meest strenge en die gebeurt dus ook het

[01:29:05] strenge en die gebeurt dus ook het minste. Daarin

[01:29:07] minste. Daarin in de introductie wordt gesproken over

[01:29:09] in de introductie wordt gesproken over vrijhandel. Welk van de onderstaande

[01:29:10] vrijhandel. Welk van de onderstaande maatregelen bevordert de vrijhandel in

[01:29:12] maatregelen bevordert de vrijhandel in de wereld? Nou hè, hoe wil je dan die

[01:29:15] de wereld? Nou hè, hoe wil je dan die een vrijhandel gaan stimuleren?

[01:29:18] een vrijhandel gaan stimuleren? Het antwoord is natuurlijk A. Want als

[01:29:20] Het antwoord is natuurlijk A. Want als je invoerrechten gaat afschaffen, dan

[01:29:22] je invoerrechten gaat afschaffen, dan kunnen bedrijven en mensen veel meer

[01:29:25] kunnen bedrijven en mensen veel meer handelen, veel vrijer handelen en dus

[01:29:27] handelen, veel vrijer handelen en dus zijn er geen belemmeringen, hè. Als je

[01:29:29] zijn er geen belemmeringen, hè. Als je importheffingen gaat instellen, ja, dan

[01:29:31] importheffingen gaat instellen, ja, dan ga je natuurlijk juist veel minder

[01:29:33] ga je natuurlijk juist veel minder handelen met zijn allen. Nou, ook dit

[01:29:36] handelen met zijn allen. Nou, ook dit geldt dus weer voor eh ja, voor hoe

[01:29:39] geldt dus weer voor eh ja, voor hoe welke vragen krijg je dan daarover? En

[01:29:41] welke vragen krijg je dan daarover? En je ziet als je goed leest, dan kun je

[01:29:44] je ziet als je goed leest, dan kun je daar echt wel wijs uitkomen. Nou, ik ga

[01:29:47] daar echt wel wijs uitkomen. Nou, ik ga even een korte pauze houden. Ik hoop

[01:29:49] even een korte pauze houden. Ik hoop jullie ook. Hopelijk hebben jullie ook

[01:29:50] jullie ook. Hopelijk hebben jullie ook even een pauze gepakt, want we gaan door

[01:29:52] even een pauze gepakt, want we gaan door naar betalingsbalans. De betalingsbalans

[01:29:54] naar betalingsbalans. De betalingsbalans is een overzicht van alle betalingen uit

[01:29:56] is een overzicht van alle betalingen uit het buitenland, oftewel de export en

[01:29:59] het buitenland, oftewel de export en alle betalingen aan het buitenland. Dit

[01:30:01] alle betalingen aan het buitenland. Dit moet je namelijk zo zien. Op het moment

[01:30:02] moet je namelijk zo zien. Op het moment dat een land eh Duitsland iets aan

[01:30:05] dat een land eh Duitsland iets aan Nederland verkoopt, dan is dat voor ons

[01:30:07] Nederland verkoopt, dan is dat voor ons is dat dan zeg maar import, maar wij

[01:30:10] is dat dan zeg maar import, maar wij betalen dat aan het buitenland. En

[01:30:13] betalen dat aan het buitenland. En daarom hebben we het over een overzicht

[01:30:14] daarom hebben we het over een overzicht van alle betalingen uit het buitenland

[01:30:17] van alle betalingen uit het buitenland en aan het buitenland. Dat is een

[01:30:19] en aan het buitenland. Dat is een verschil hierin. Nou, op het moment dat

[01:30:21] verschil hierin. Nou, op het moment dat wij nu meer van het buitenland naar

[01:30:23] wij nu meer van het buitenland naar Nederland toe halen dan omgedraaid, dan

[01:30:25] Nederland toe halen dan omgedraaid, dan is er een tekort op de betalingsbalans.

[01:30:28] is er een tekort op de betalingsbalans. Maar als we nu meer verkopen aan het

[01:30:30] Maar als we nu meer verkopen aan het buitenland, als dat wij terugkopen van

[01:30:32] buitenland, als dat wij terugkopen van het buitenland, dan is er een overschot

[01:30:35] het buitenland, dan is er een overschot op de betalingsbalans. Soms laten ze dit

[01:30:37] op de betalingsbalans. Soms laten ze dit jullie namelijk toepassen daarin dat je

[01:30:39] jullie namelijk toepassen daarin dat je weet wat het verschil is daarussen. Nou,

[01:30:42] weet wat het verschil is daarussen. Nou, dan hoort het begrip ruilvoet daar

[01:30:44] dan hoort het begrip ruilvoet daar natuurlijk ook bij. Wat is de ruilvoet?

[01:30:46] natuurlijk ook bij. Wat is de ruilvoet? R is de verhouding tussen de prijs van

[01:30:48] R is de verhouding tussen de prijs van exportproducten en de prijs van

[01:30:50] exportproducten en de prijs van importproducten. Dus je gaat kijken

[01:30:52] importproducten. Dus je gaat kijken inderdaad wat kost iets om een product

[01:30:54] inderdaad wat kost iets om een product te exporteren, dus van Nederland naar

[01:30:56] te exporteren, dus van Nederland naar het buitenland of om het te importeren

[01:30:59] het buitenland of om het te importeren van het buitenland en Nederland. Dit is

[01:31:01] van het buitenland en Nederland. Dit is belangrijk voor landen om te weten hoe

[01:31:02] belangrijk voor landen om te weten hoe de verhouding is tussen import en

[01:31:03] de verhouding is tussen import en export. Voor ontwikkelingslanden is de

[01:31:06] export. Voor ontwikkelingslanden is de rulvoet vaak slecht. Wat zij exporteren

[01:31:09] rulvoet vaak slecht. Wat zij exporteren is goedkoop, maar wat zij importeren is

[01:31:12] is goedkoop, maar wat zij importeren is duur. Dus denk even aan een

[01:31:13] duur. Dus denk even aan een ontwikkelingsland, bijvoorbeeld in

[01:31:15] ontwikkelingsland, bijvoorbeeld in Centraal Afrika. Nou eh die hebben

[01:31:17] Centraal Afrika. Nou eh die hebben goedkope productie. De lonen liggen

[01:31:19] goedkope productie. De lonen liggen laag. Dat is hartstikke mooi voor ons

[01:31:21] laag. Dat is hartstikke mooi voor ons natuurlijk, want wij kunnen daardoor als

[01:31:23] natuurlijk, want wij kunnen daardoor als Nederland heel veel goedkope spullen

[01:31:24] Nederland heel veel goedkope spullen kopen. Maar als zij de spullen uit

[01:31:26] kopen. Maar als zij de spullen uit Nederland moeten importeren, is dat voor

[01:31:28] Nederland moeten importeren, is dat voor hun ineens ontzettend duur. Dus daarom

[01:31:31] hun ineens ontzettend duur. Dus daarom hebben zij een eh slechte ruilvoet. Ja,

[01:31:34] hebben zij een eh slechte ruilvoet. Ja, Nederland heeft op zich best een goede

[01:31:35] Nederland heeft op zich best een goede ruilvoet. Ja. Nou, wat heeft die

[01:31:39] ruilvoet. Ja. Nou, wat heeft die wisselkoers nu? Invloed eh op import en

[01:31:42] wisselkoers nu? Invloed eh op import en export. Nou, je moet natuurlijk even

[01:31:43] export. Nou, je moet natuurlijk even weten wisselkoers is als je de ene

[01:31:45] weten wisselkoers is als je de ene valuta uitdrukt in de andere valuta. Dus

[01:31:48] valuta uitdrukt in de andere valuta. Dus bijvoorbeeld de euro druk je in als

[01:31:51] bijvoorbeeld de euro druk je in als waarde van de dollar. Stel voor je hebt

[01:31:53] waarde van de dollar. Stel voor je hebt twee landen. Land A met munt A en land B

[01:31:56] twee landen. Land A met munt A en land B met munt B. Aanvankelijk zijn beide

[01:31:59] met munt B. Aanvankelijk zijn beide munten evenveel waard. Dus de

[01:32:01] munten evenveel waard. Dus de wisselkoers is één op één bijvoorbeeld,

[01:32:03] wisselkoers is één op één bijvoorbeeld, hè. Dus 1 land A is 1 land B. Als nu de

[01:32:08] hè. Dus 1 land A is 1 land B. Als nu de munt van land B in waarde gaat stijgen,

[01:32:11] munt van land B in waarde gaat stijgen, wil dat zeggen dat munt B duurder gaat

[01:32:12] wil dat zeggen dat munt B duurder gaat worden. Onder andere voor land A. Voor

[01:32:15] worden. Onder andere voor land A. Voor de inwoners uit land A is het dus minder

[01:32:18] de inwoners uit land A is het dus minder interessant om spullen te kopen in land

[01:32:20] interessant om spullen te kopen in land B, omdat dat dus in verhouding duurder

[01:32:22] B, omdat dat dus in verhouding duurder wordt. De bedrijven uit land A zullen

[01:32:24] wordt. De bedrijven uit land A zullen dus minder gaan importeren, want dan

[01:32:26] dus minder gaan importeren, want dan kost het meer geld uit land B. Aan de

[01:32:29] kost het meer geld uit land B. Aan de andere kant zal er vanuit land A meer

[01:32:31] andere kant zal er vanuit land A meer geëxporteerd gaan worden omdat de

[01:32:33] geëxporteerd gaan worden omdat de bewoners van land B graag goedkopere

[01:32:36] bewoners van land B graag goedkopere producten hebben. Met de lage

[01:32:37] producten hebben. Met de lage wisselkoers in land A kunnen de bewoners

[01:32:40] wisselkoers in land A kunnen de bewoners van land B dus in land A goedkopere

[01:32:42] van land B dus in land A goedkopere producten halen. Dus dat wil zeggen als

[01:32:45] producten halen. Dus dat wil zeggen als de land in waard of als de munt in

[01:32:47] de land in waard of als de munt in waarde in het één land gaat stijgen voor

[01:32:49] waarde in het één land gaat stijgen voor de handel is dat natuurlijk niet goed

[01:32:50] de handel is dat natuurlijk niet goed want het wordt duurder.

[01:32:53] want het wordt duurder. Als nu munt Ben waarde gaat dalen,

[01:32:55] Als nu munt Ben waarde gaat dalen, gebeurt precies het tegenovergestelde.

[01:32:57] gebeurt precies het tegenovergestelde. Land B gaat goedkoper worden waar er

[01:32:58] Land B gaat goedkoper worden waar er veel mensen uit het buitenland zullen

[01:33:00] veel mensen uit het buitenland zullen komen shoppen in het land. De export zal

[01:33:02] komen shoppen in het land. De export zal groter worden en de import die duur is

[01:33:04] groter worden en de import die duur is zal waarschijnlijk gaan afnemen. Dus nu

[01:33:06] zal waarschijnlijk gaan afnemen. Dus nu zou je natuurlijk zeggen als jij ergens

[01:33:08] zou je natuurlijk zeggen als jij ergens woont en je ehm en je doet helemaal geen

[01:33:11] woont en je ehm en je doet helemaal geen handel met het buitenland. Je gaat nooit

[01:33:12] handel met het buitenland. Je gaat nooit shoppen in het buitenland of nooit

[01:33:13] shoppen in het buitenland of nooit tanken ofzo in het buitenland. Ja, dan

[01:33:15] tanken ofzo in het buitenland. Ja, dan zeg jij waarschijnlijk ja, ik vind het

[01:33:16] zeg jij waarschijnlijk ja, ik vind het alleen maar fijn als de waarde van de

[01:33:18] alleen maar fijn als de waarde van de munt hoog is, want daardoor zijn mijn

[01:33:19] munt hoog is, want daardoor zijn mijn bezittingen ook meer waard. Alleen voor

[01:33:21] bezittingen ook meer waard. Alleen voor de handel is dat meestal dus geen goed

[01:33:23] de handel is dat meestal dus geen goed teken. En dan hebben we het dus over

[01:33:25] teken. En dan hebben we het dus over wisserkoers.

[01:33:27] wisserkoers. Nou, in Europa bijna altijd zit er wel

[01:33:29] Nou, in Europa bijna altijd zit er wel een opgave in over Europa en dan vooral

[01:33:32] een opgave in over Europa en dan vooral over de EU en over de EMU. Nou, de

[01:33:35] over de EU en over de EMU. Nou, de Europese Unie, dat zijn alle landen die

[01:33:37] Europese Unie, dat zijn alle landen die in de Europese Unie zitten. Dus die

[01:33:39] in de Europese Unie zitten. Dus die liggen in Europa en die hebben zich ooit

[01:33:41] liggen in Europa en die hebben zich ooit oog een keer aangesloten bij het

[01:33:42] oog een keer aangesloten bij het bondgenootschap de Europese Unie. Ehm nu

[01:33:46] bondgenootschap de Europese Unie. Ehm nu is het zo dat bijvoorbeeld Denemarken

[01:33:47] is het zo dat bijvoorbeeld Denemarken zit wel in de EU, maar zij gebruiken

[01:33:50] zit wel in de EU, maar zij gebruiken geen euro. Dan zitten zij dus wel in de

[01:33:53] geen euro. Dan zitten zij dus wel in de EU, maar niet in Europese monetaire

[01:33:55] EU, maar niet in Europese monetaire Unie. Denemarken, Zwitserland, Noorwegen

[01:33:58] Unie. Denemarken, Zwitserland, Noorwegen zitten daar allemaal bij. Ehm dan zitten

[01:34:01] zitten daar allemaal bij. Ehm dan zitten ze wel bij de EU, maar niet bij de EU.

[01:34:03] ze wel bij de EU, maar niet bij de EU. De Europese monetaire Unie, dat zijn de

[01:34:05] De Europese monetaire Unie, dat zijn de landen die in de EU zitten. Dus in

[01:34:07] landen die in de EU zitten. Dus in Europa en in de Europese Unie. Ehm en

[01:34:10] Europa en in de Europese Unie. Ehm en ook de eh die wat de euro als wettig

[01:34:13] ook de eh die wat de euro als wettig betaalmiddel gebruiken. Deze landen

[01:34:15] betaalmiddel gebruiken. Deze landen moeten zich gaan meerdere regels houden

[01:34:17] moeten zich gaan meerdere regels houden ten opzichte van landen die in eh in de

[01:34:19] ten opzichte van landen die in eh in de EU, want zij hebben direct invloed op de

[01:34:21] EU, want zij hebben direct invloed op de waarde van de munt. Jij snapt natuurlijk

[01:34:24] waarde van de munt. Jij snapt natuurlijk als een land ehm met dat de euro heeft

[01:34:27] als een land ehm met dat de euro heeft wanbeleid voert, ja, dan is het

[01:34:29] wanbeleid voert, ja, dan is het misschien dat mensen uit het buitenland

[01:34:30] misschien dat mensen uit het buitenland zeggen: "Wij hoeven geen euro's meer.

[01:34:32] zeggen: "Wij hoeven geen euro's meer. Minder vraag betekent de prijs omlaag en

[01:34:34] Minder vraag betekent de prijs omlaag en dan eh daalt de waarde van de munt en

[01:34:36] dan eh daalt de waarde van de munt en dat wil je natuurlijk niet." Dus hier

[01:34:38] dat wil je natuurlijk niet." Dus hier vragen ze inderdaad of jij weet wat het

[01:34:40] vragen ze inderdaad of jij weet wat het verschil is tussen de EU en tussen de

[01:34:42] verschil is tussen de EU en tussen de EMU. En vervolgens moet je dat dan ook

[01:34:44] EMU. En vervolgens moet je dat dan ook kunnen toepassen in een vraag.

[01:34:46] kunnen toepassen in een vraag. Bijvoorbeeld in deze vraag. Nou maakte

[01:34:49] Bijvoorbeeld in deze vraag. Nou maakte de zinnen juist. Als emulanden meer

[01:34:52] de zinnen juist. Als emulanden meer importeren uit de VS, dan stijgt de

[01:34:55] importeren uit de VS, dan stijgt de vraag na of het aanbod van dollars. Gaan

[01:34:57] vraag na of het aanbod van dollars. Gaan we dadelijk naar kijken. Waardoor de

[01:34:59] we dadelijk naar kijken. Waardoor de koers van de euro ten opzichte van de

[01:35:01] koers van de euro ten opzichte van de dollar daalt. De import van de emulanden

[01:35:03] dollar daalt. De import van de emulanden vanuit de VS wordt dan goedkoper of

[01:35:06] vanuit de VS wordt dan goedkoper of duurder. Nou is natuurlijk de eerste als

[01:35:09] duurder. Nou is natuurlijk de eerste als emulanden meer importeren dan stijgt de

[01:35:13] emulanden meer importeren dan stijgt de vraag naar dollars. Want wij betalen dat

[01:35:15] vraag naar dollars. Want wij betalen dat namelijk in dollars. Dus er komt meer

[01:35:18] namelijk in dollars. Dus er komt meer vraag naar die producten. Er is ook meer

[01:35:19] vraag naar die producten. Er is ook meer vragen naar die dollars. Eh de koers van

[01:35:22] vragen naar die dollars. Eh de koers van de euro ten opzichte van de dollar

[01:35:23] de euro ten opzichte van de dollar daalt. De import van emulanden vanuit de

[01:35:26] daalt. De import van emulanden vanuit de VS wordt dan dus duurder hè. Dus omdat

[01:35:30] VS wordt dan dus duurder hè. Dus omdat die vraag inderdaad ook aan het stijgen

[01:35:32] die vraag inderdaad ook aan het stijgen is en dus verandert de koers. Nou, zo

[01:35:35] is en dus verandert de koers. Nou, zo kun je dat bijvoorbeeld toepassen. Nou,

[01:35:37] kun je dat bijvoorbeeld toepassen. Nou, dit is een één puntsvraag voor twee

[01:35:38] dit is een één puntsvraag voor twee juiste antwoorden.

[01:35:41] juiste antwoorden. Dan gaan we naar een groot onderwerp.

[01:35:42] Dan gaan we naar een groot onderwerp. Inflatie komt ook vaak terug in de

[01:35:44] Inflatie komt ook vaak terug in de examens. Groot of klein. Nou, wat is

[01:35:47] examens. Groot of klein. Nou, wat is inflatie nu eigenlijk? Heel veel mensen

[01:35:49] inflatie nu eigenlijk? Heel veel mensen zeggen: "Ja, dat is gewoon dat producten

[01:35:50] zeggen: "Ja, dat is gewoon dat producten duurder worden." Ja, dat is kortere de

[01:35:51] duurder worden." Ja, dat is kortere de bocht. Maar wel wat er klopt. Eigenlijk

[01:35:54] bocht. Maar wel wat er klopt. Eigenlijk wil dat gewoon zeggen dat je voor

[01:35:55] wil dat gewoon zeggen dat je voor hetzelfde bedrag minder spullen kan

[01:35:58] hetzelfde bedrag minder spullen kan kopen. En dat komt natuurlijk omdat het

[01:35:59] kopen. En dat komt natuurlijk omdat het dan duurder gaat worden. Eigenlijk

[01:36:01] dan duurder gaat worden. Eigenlijk kennen we drie soorten inflatie. welke

[01:36:03] kennen we drie soorten inflatie. welke dat je moet kennen. Dus hoe komt het nou

[01:36:06] dat je moet kennen. Dus hoe komt het nou dat die prijzen aan het stijgen zijn? We

[01:36:08] dat die prijzen aan het stijgen zijn? We hebben kosteninflatie,

[01:36:09] hebben kosteninflatie, bestedingsinflatie en monetaire

[01:36:11] bestedingsinflatie en monetaire inflatie. De kosteninflatie is eigenlijk

[01:36:13] inflatie. De kosteninflatie is eigenlijk dat een bedrijf de eh het gaat

[01:36:15] dat een bedrijf de eh het gaat doorrekenen. Dus een bedrijf maakt meer

[01:36:18] doorrekenen. Dus een bedrijf maakt meer kosten. Dus bijvoorbeeld brandstof wordt

[01:36:20] kosten. Dus bijvoorbeeld brandstof wordt duurder. Eh nou daardoor eh kost de bus

[01:36:22] duurder. Eh nou daardoor eh kost de bus gewoon meer geld om eh om zeg maar te

[01:36:24] gewoon meer geld om eh om zeg maar te laten rijden. En daardoor zal de

[01:36:26] laten rijden. En daardoor zal de busmaatschappij misschien zeggen: "We

[01:36:27] busmaatschappij misschien zeggen: "We gaan de prijzen voor de mensen omhoog

[01:36:29] gaan de prijzen voor de mensen omhoog doen." Dat is kosteninflatie.

[01:36:31] doen." Dat is kosteninflatie. bestedingsinflatie heeft met bestedingen

[01:36:34] bestedingsinflatie heeft met bestedingen te maken. Dat wil dus eigenlijk zeggen

[01:36:35] te maken. Dat wil dus eigenlijk zeggen op het moment dat mensen aan een product

[01:36:38] op het moment dat mensen aan een product heel veel gaan besteden, dan ziet dat

[01:36:39] heel veel gaan besteden, dan ziet dat bedrijf dat en die denken dan hey maar

[01:36:41] bedrijf dat en die denken dan hey maar dat is interessant. Dan kunnen wij ook

[01:36:43] dat is interessant. Dan kunnen wij ook wel de prijs iets omhoog doen, want die

[01:36:44] wel de prijs iets omhoog doen, want die mensen willen dat blijkbaar heel graag

[01:36:46] mensen willen dat blijkbaar heel graag hebben. Je ziet de uitgebreide

[01:36:48] hebben. Je ziet de uitgebreide omschrijvingen zie je hier ook staan

[01:36:50] omschrijvingen zie je hier ook staan overigens. En de laatste is de monetaire

[01:36:52] overigens. En de laatste is de monetaire inflatie. Die ken je waarschijnlijk wel,

[01:36:54] inflatie. Die ken je waarschijnlijk wel, want als nu regeringen of bijvoorbeeld

[01:36:56] want als nu regeringen of bijvoorbeeld de Europese Unie, de Europese Monetaire

[01:36:59] de Europese Unie, de Europese Monetaire Unie in dit geval zegt: "We gaan extra

[01:37:01] Unie in dit geval zegt: "We gaan extra geld bijprinten."

[01:37:03] geld bijprinten." Dat weet bijna iedereen als het goed is

[01:37:04] Dat weet bijna iedereen als het goed is wel als je meer geld gaat bijprinten,

[01:37:07] wel als je meer geld gaat bijprinten, dan wordt de waarde van het huidige geld

[01:37:09] dan wordt de waarde van het huidige geld wordt minder waarde omdat er meer van

[01:37:10] wordt minder waarde omdat er meer van is. En dus is er inflatie. Dus eigenlijk

[01:37:13] is. En dus is er inflatie. Dus eigenlijk altijd als je het over inflatie hebt,

[01:37:14] altijd als je het over inflatie hebt, zou ik zeggen kies dan één van deze drie

[01:37:17] zou ik zeggen kies dan één van deze drie uit. Heeft het te maken met het kosten

[01:37:18] uit. Heeft het te maken met het kosten van het bedrijf? Heeft te maken met de

[01:37:20] van het bedrijf? Heeft te maken met de bestedingen van de mensen? of heeft te

[01:37:22] bestedingen van de mensen? of heeft te maken met de overheid die wat ervoor

[01:37:24] maken met de overheid die wat ervoor kiest om meer geld te gaan printen. Nou,

[01:37:26] kiest om meer geld te gaan printen. Nou, dat is inflatie. Hebben we natuurlijk

[01:37:28] dat is inflatie. Hebben we natuurlijk een voorbeeldopgave over, hè. Nou, eh de

[01:37:30] een voorbeeldopgave over, hè. Nou, eh de koopkracht in Nederland wordt onder meer

[01:37:32] koopkracht in Nederland wordt onder meer bepaald door inflatie. Als de regering

[01:37:34] bepaald door inflatie. Als de regering inkomstenbelasting verhoogt, kan dat

[01:37:36] inkomstenbelasting verhoogt, kan dat leiden tot inflatie. Leg in twee stappen

[01:37:38] leiden tot inflatie. Leg in twee stappen uit dat de verhoging van de

[01:37:40] uit dat de verhoging van de inkomstenbelasting inflatie kan

[01:37:42] inkomstenbelasting inflatie kan ontstaan. Nou, twee stappen voor twee

[01:37:44] ontstaan. Nou, twee stappen voor twee punten. Wat zou je dan bijvoorbeeld

[01:37:45] punten. Wat zou je dan bijvoorbeeld kunnen zeggen? Nou, een hogere

[01:37:47] kunnen zeggen? Nou, een hogere inkomstenbelasting kan natuurlijk zijn

[01:37:50] inkomstenbelasting kan natuurlijk zijn dat die mensen dan gaan staken ze meer

[01:37:52] dat die mensen dan gaan staken ze meer loon hebben bijvoorbeeld. En dan kan

[01:37:54] loon hebben bijvoorbeeld. En dan kan natuurlijk de werkgever zeggen: "We gaan

[01:37:56] natuurlijk de werkgever zeggen: "We gaan jullie compenseren." Dus de lonen gaan

[01:37:58] jullie compenseren." Dus de lonen gaan omhoog. Nou en als de lonen dan omhoog

[01:38:01] omhoog. Nou en als de lonen dan omhoog gaan, dan zal de werkgever zeggen: "He,

[01:38:03] gaan, dan zal de werkgever zeggen: "He, maar dat is eh een soort ja, een soort

[01:38:05] maar dat is eh een soort ja, een soort kosteninflatie, hè. Want eh de werkgever

[01:38:07] kosteninflatie, hè. Want eh de werkgever moet dan meer gaan betalen en als hij

[01:38:09] moet dan meer gaan betalen en als hij meer moet gaan betalen gaat hij dat

[01:38:10] meer moet gaan betalen gaat hij dat doorrekenen in de prijzen. Nou, dat zijn

[01:38:13] doorrekenen in de prijzen. Nou, dat zijn bijvoorbeeld twee stappen die wat je

[01:38:14] bijvoorbeeld twee stappen die wat je daarin zou kunnen doen.

[01:38:17] daarin zou kunnen doen. Na het uit het interview met de

[01:38:18] Na het uit het interview met de minister-president blijkt dat de

[01:38:19] minister-president blijkt dat de regering prioriteit geeft aan

[01:38:21] regering prioriteit geeft aan inkomensontwikkeling. In 2018 moet de

[01:38:23] inkomensontwikkeling. In 2018 moet de koopkracht van de Nederlandse burgers

[01:38:25] koopkracht van de Nederlandse burgers stijgen. De koopkracht van de burgers is

[01:38:27] stijgen. De koopkracht van de burgers is mede afhankelijk van de inflatie in het

[01:38:28] mede afhankelijk van de inflatie in het land. Carjn zegt: "Dat begrijp ik niet.

[01:38:31] land. Carjn zegt: "Dat begrijp ik niet. Door sommige maatregelen van de regering

[01:38:32] Door sommige maatregelen van de regering stijgt de inflatie en daalt de

[01:38:35] stijgt de inflatie en daalt de koopkracht voor de burgers. noem zo'n

[01:38:36] koopkracht voor de burgers. noem zo'n maatregel van de regering en leg uit dat

[01:38:39] maatregel van de regering en leg uit dat de inflatie daardoor stijgt. Nou ehm

[01:38:42] de inflatie daardoor stijgt. Nou ehm bijvoorbeeld kan de overheid zeggen:

[01:38:44] bijvoorbeeld kan de overheid zeggen: "Nou, we kunnen de de loon loonbelasting

[01:38:46] "Nou, we kunnen de de loon loonbelasting of de inkomstenbelasting hebben

[01:38:47] of de inkomstenbelasting hebben verlagen." Nou, en daardoor kunnen de

[01:38:50] verlagen." Nou, en daardoor kunnen de bestedingen dus toe toenemen. Want als

[01:38:52] bestedingen dus toe toenemen. Want als je dus minder belasting hoeft te

[01:38:53] je dus minder belasting hoeft te betalen, hou je meer geld over. En als

[01:38:55] betalen, hou je meer geld over. En als je meer geld overhoudt, kan je dus meer

[01:38:57] je meer geld overhoudt, kan je dus meer spullen gaan kopen. Door de toegenomen

[01:38:59] spullen gaan kopen. Door de toegenomen vraag kan het prijs prijsniveau stijgen.

[01:39:01] vraag kan het prijs prijsniveau stijgen. Ja, dat is dat natuurlijk weer die

[01:39:02] Ja, dat is dat natuurlijk weer die bestedingsinflatie.

[01:39:04] bestedingsinflatie. Ja. Of bijvoorbeeld de BTW kan verhoogd

[01:39:07] Ja. Of bijvoorbeeld de BTW kan verhoogd worden. Ja, dus als de overheid zegt:

[01:39:10] worden. Ja, dus als de overheid zegt: "He, maar we gaan eh de BTW hè de

[01:39:12] "He, maar we gaan eh de BTW hè de belasting of toegevoegde waarde

[01:39:13] belasting of toegevoegde waarde verhogen." Dus daardoor worden producten

[01:39:15] verhogen." Dus daardoor worden producten duurder. Ja, daardoor stijgt natuurlijk

[01:39:17] duurder. Ja, daardoor stijgt natuurlijk de prijs ook. Dus dat is ook weer

[01:39:19] de prijs ook. Dus dat is ook weer inflatie. Dus met inflatie heb je heel

[01:39:21] inflatie. Dus met inflatie heb je heel veel opgaves waar je zelf een idee moet

[01:39:23] veel opgaves waar je zelf een idee moet hebben wat je dan precies gaat doen.

[01:39:26] hebben wat je dan precies gaat doen. Inflatie.

[01:39:28] Inflatie. Vanuit inflatie is een klein bruggetje

[01:39:30] Vanuit inflatie is een klein bruggetje naar de staatsschuld. Staatsschuld is

[01:39:32] naar de staatsschuld. Staatsschuld is eigenlijk de schuld van een overheid. Je

[01:39:35] eigenlijk de schuld van een overheid. Je moet je voorstellen de overheid van het

[01:39:37] moet je voorstellen de overheid van het land die hebben inkomsten en uitgaven.

[01:39:39] land die hebben inkomsten en uitgaven. Dat wordt samengevat in een miljoenenota

[01:39:41] Dat wordt samengevat in een miljoenenota of in een rijksbegroting. Ieder jaar

[01:39:43] of in een rijksbegroting. Ieder jaar gaan ze kijken hoeveel geld komt er

[01:39:45] gaan ze kijken hoeveel geld komt er binnen en hoeveel geld gaat eruit. Nou,

[01:39:47] binnen en hoeveel geld gaat eruit. Nou, als er nu meer geld uitgaat dan dat er

[01:39:49] als er nu meer geld uitgaat dan dat er binnenkomt, moet je gaan lenen. En ze

[01:39:51] binnenkomt, moet je gaan lenen. En ze zeggen wel eens: "Let op, lenen kost

[01:39:53] zeggen wel eens: "Let op, lenen kost geld." Maar lenen maakt vooral dat je

[01:39:55] geld." Maar lenen maakt vooral dat je schulden gaat krijgen. Op het moment dat

[01:39:57] schulden gaat krijgen. Op het moment dat je dus schulden gaat krijgen, dan moet

[01:39:59] je dus schulden gaat krijgen, dan moet je dat terugbetalen en daar hebben ze

[01:40:01] je dat terugbetalen en daar hebben ze natuurlijk weer rente over. Nou, in die

[01:40:03] natuurlijk weer rente over. Nou, in die miljoenen staat de samenvatting.

[01:40:06] miljoenen staat de samenvatting. Nu is het natuurlijk zo dat als je een

[01:40:08] Nu is het natuurlijk zo dat als je een begrotingstekort hebt, dan ga je dus

[01:40:10] begrotingstekort hebt, dan ga je dus eigenlijk er vanuit dat je te weinig

[01:40:13] eigenlijk er vanuit dat je te weinig inkomsten krijgt om de uitgave te

[01:40:14] inkomsten krijgt om de uitgave te dekken. Nou, nu is het natuurlijk zo dat

[01:40:17] dekken. Nou, nu is het natuurlijk zo dat die staatsschuld die zegt niet zo heel

[01:40:19] die staatsschuld die zegt niet zo heel erg veel, want vaak willen zij juist dat

[01:40:21] erg veel, want vaak willen zij juist dat je de staatsschuld gaat omrekenen naar

[01:40:23] je de staatsschuld gaat omrekenen naar het aantal inwoners. Want je snapt

[01:40:25] het aantal inwoners. Want je snapt natuurlijk wel dat de eh dat de

[01:40:26] natuurlijk wel dat de eh dat de staatsschuld in Amerika 10 keer zo hoog

[01:40:29] staatsschuld in Amerika 10 keer zo hoog is als in Nederland, maar er wonen ook

[01:40:30] is als in Nederland, maar er wonen ook 10 keer zoveel mensen. Dus de

[01:40:32] 10 keer zoveel mensen. Dus de staatsschuld ga je meestal eh

[01:40:35] staatsschuld ga je meestal eh doorrekenen. Nou, in dit geval hebben we

[01:40:38] doorrekenen. Nou, in dit geval hebben we dit is een overheid tekort of een

[01:40:40] dit is een overheid tekort of een begrotingstekort. De inkomsten zijn zo

[01:40:42] begrotingstekort. De inkomsten zijn zo hoog en de uitgaven zijn hoger. Nou,

[01:40:44] hoog en de uitgaven zijn hoger. Nou, daar hebben we dus een begrotingstekort.

[01:40:47] daar hebben we dus een begrotingstekort. Hoe kunnen we dat doen? Nou, we kunnen

[01:40:49] Hoe kunnen we dat doen? Nou, we kunnen natuurlijk eh bezuinigen. Dan ga je de

[01:40:51] natuurlijk eh bezuinigen. Dan ga je de uitgave laag gaan maken. Of je kan

[01:40:53] uitgave laag gaan maken. Of je kan inderdaad de belastingen gaan verhogen

[01:40:55] inderdaad de belastingen gaan verhogen bijvoorbeeld. Dan ga je weer meer

[01:40:57] bijvoorbeeld. Dan ga je weer meer inkomsten krijgen. Ja. Eh en als het

[01:41:00] inkomsten krijgen. Ja. Eh en als het niet lukt, ja moet je natuurlijk geld

[01:41:01] niet lukt, ja moet je natuurlijk geld gaan lenen. Wat staan dan

[01:41:03] gaan lenen. Wat staan dan voorbeeldopgaves bij? Nou bijvoorbeeld

[01:41:06] voorbeeldopgaves bij? Nou bijvoorbeeld wat kan reden zijn dat de staatsschuld

[01:41:07] wat kan reden zijn dat de staatsschuld van Italië blijft stijgen? Nou hè de

[01:41:10] van Italië blijft stijgen? Nou hè de inkomsten zijn groter dan de uitgave, de

[01:41:13] inkomsten zijn groter dan de uitgave, de inkomsten zijn kleiner dan de uitgave of

[01:41:15] inkomsten zijn kleiner dan de uitgave of de inkomsten zijn gestegen uitgaven

[01:41:17] de inkomsten zijn gestegen uitgaven gelijk gebleven. Nou, hier kan maar één

[01:41:19] gelijk gebleven. Nou, hier kan maar één antwoord en dat is antwoord B van

[01:41:21] antwoord en dat is antwoord B van Bernhard.

[01:41:23] Bernhard. De Italiaanse staatsschuld is in

[01:41:24] De Italiaanse staatsschuld is in verhouding tot een nationaal inkomen

[01:41:26] verhouding tot een nationaal inkomen 130%. In Nederland is dit eh percentage

[01:41:29] 130%. In Nederland is dit eh percentage 51%.

[01:41:31] 51%. Verklaar waarom land met een hoge

[01:41:32] Verklaar waarom land met een hoge staatsschuld in verhouding een hoge

[01:41:34] staatsschuld in verhouding een hoge rentepercentage moet betalen. Nou, als

[01:41:36] rentepercentage moet betalen. Nou, als jij heel veel schulden hebt, dan snap je

[01:41:38] jij heel veel schulden hebt, dan snap je waarschijnlijk dat mensen die wat jouw

[01:41:39] waarschijnlijk dat mensen die wat jouw geld uitlenen iets minder zeker ervan

[01:41:42] geld uitlenen iets minder zeker ervan zijn dat zij jouw geld ook terug gaan

[01:41:44] zijn dat zij jouw geld ook terug gaan krijgen. En dus zullen zij zeggen: "Dan

[01:41:46] krijgen. En dus zullen zij zeggen: "Dan zal je dus meer rente moeten gaan

[01:41:48] zal je dus meer rente moeten gaan betalen." Eh als de staatsel geij krijg

[01:41:50] betalen." Eh als de staatsel geij krijg je ook het risico dat de staatsschuld

[01:41:51] je ook het risico dat de staatsschuld niet volledig wordt terugbetaald. Zeggen

[01:41:53] niet volledig wordt terugbetaald. Zeggen ook het correctiemodel.

[01:41:55] ook het correctiemodel. Nou, laten we nu eens even weer even

[01:41:57] Nou, laten we nu eens even weer even pauze pakken en dan gaan we dadelijk

[01:41:58] pauze pakken en dan gaan we dadelijk verder met interne en externe effecten.

[01:42:02] verder met interne en externe effecten. Ja, laten we eens kijken naar interne en

[01:42:04] Ja, laten we eens kijken naar interne en externe effecten. Nou, als we het over

[01:42:06] externe effecten. Nou, als we het over intern hebben, hebben we het eigenlijk

[01:42:07] intern hebben, hebben we het eigenlijk over waar jij zelf iets aan kan doen.

[01:42:10] over waar jij zelf iets aan kan doen. Dus bijvoorbeeld eh als je het over

[01:42:12] Dus bijvoorbeeld eh als je het over studie gaat hebben, jouw motivatie en

[01:42:14] studie gaat hebben, jouw motivatie en dergelijke is vooral denk ik intern,

[01:42:16] dergelijke is vooral denk ik intern, maar het zou ook soms extern kunnen zijn

[01:42:18] maar het zou ook soms extern kunnen zijn als het bijvoorbeeld jouw omgeving

[01:42:20] als het bijvoorbeeld jouw omgeving bepaalt, hè. Bijvoorbeeld, stel even

[01:42:21] bepaalt, hè. Bijvoorbeeld, stel even vooren dat jij thuis niet fatsoenlijk

[01:42:23] vooren dat jij thuis niet fatsoenlijk kan leren. Dan is dat eerder een extern

[01:42:25] kan leren. Dan is dat eerder een extern effect. Daar heb jij weinig aan te

[01:42:27] effect. Daar heb jij weinig aan te zeggen. Of bijvoorbeeld dat je alleen

[01:42:29] zeggen. Of bijvoorbeeld dat je alleen maar goed kan leren als er goed weer is

[01:42:31] maar goed kan leren als er goed weer is en het regent de hele tijd. Extern

[01:42:33] en het regent de hele tijd. Extern effect. Ja. Dus ehm eh invloed heeft

[01:42:37] effect. Ja. Dus ehm eh invloed heeft bijvoorbeeld wanneer een bedrijf er

[01:42:38] bijvoorbeeld wanneer een bedrijf er zorgt dat het personeel gelukkig is, zal

[01:42:40] zorgt dat het personeel gelukkig is, zal het productie waarsarijnlijk toenemen.

[01:42:42] het productie waarsarijnlijk toenemen. Dit kan bijvoorbeeld door een schonere

[01:42:43] Dit kan bijvoorbeeld door een schonere werkomgeving of door een bonusstelsel.

[01:42:45] werkomgeving of door een bonusstelsel. Ja, dat is intern natuurlijk, want daar

[01:42:47] Ja, dat is intern natuurlijk, want daar heb je invloed op. Externe zijn effecten

[01:42:50] heb je invloed op. Externe zijn effecten waar het bedrijf geen vloed op geen

[01:42:52] waar het bedrijf geen vloed op geen invloed op sorry geen invloed op heeft.

[01:42:55] invloed op sorry geen invloed op heeft. Denk bijvoorbeeld aan overlast

[01:42:56] Denk bijvoorbeeld aan overlast verkeersdrukte of gevolgen voor het

[01:42:58] verkeersdrukte of gevolgen voor het milieu. Stel nou je voor de Efteling

[01:43:00] milieu. Stel nou je voor de Efteling gaat uitbreiden dan hebben ze het vaak

[01:43:02] gaat uitbreiden dan hebben ze het vaak over positieve interne of negatieve

[01:43:04] over positieve interne of negatieve externe effecten. Nou positieve interne

[01:43:06] externe effecten. Nou positieve interne effecten. Als de Effeling gaat

[01:43:08] effecten. Als de Effeling gaat uitbreiden krijg je een groter aanbod

[01:43:10] uitbreiden krijg je een groter aanbod van attracties. Meer ruimte voor

[01:43:12] van attracties. Meer ruimte voor bezoekers. Meer spanning ofzo. Nou dat

[01:43:14] bezoekers. Meer spanning ofzo. Nou dat is allemaal intern. Extern. Je krijgt

[01:43:16] is allemaal intern. Extern. Je krijgt misschien meer files, want er komen

[01:43:18] misschien meer files, want er komen misschien meer bezoekers. Ehm je krijgt

[01:43:20] misschien meer bezoekers. Ehm je krijgt bijvoorbeeld dat er een stuk bos moet

[01:43:22] bijvoorbeeld dat er een stuk bos moet worden opgeofferd waar je eerst lekker

[01:43:24] worden opgeofferd waar je eerst lekker kan lopen waar er nu attracties staan.

[01:43:26] kan lopen waar er nu attracties staan. Nou, dat is eigenlijk het verschil

[01:43:27] Nou, dat is eigenlijk het verschil tussen positieve interne en negatieve

[01:43:29] tussen positieve interne en negatieve externe effecten. Soms heb je ook

[01:43:31] externe effecten. Soms heb je ook positieve externe effecten en eh

[01:43:34] positieve externe effecten en eh negatieve interne effecten. Als je dus

[01:43:36] negatieve interne effecten. Als je dus maar weet dat je dus ofwel positief of

[01:43:38] maar weet dat je dus ofwel positief of wel negatief moet draaien.

[01:43:41] wel negatief moet draaien. Deze sluit er heel erg op aan.

[01:43:42] Deze sluit er heel erg op aan. maatschappelijke opbrengsten en

[01:43:44] maatschappelijke opbrengsten en maatschappelijke kosten. Eigenlijk

[01:43:45] maatschappelijke kosten. Eigenlijk drukken we deze niet uit in euro's, want

[01:43:48] drukken we deze niet uit in euro's, want we hebben het over maatschappelijke

[01:43:49] we hebben het over maatschappelijke kosten of maatschappelijke opbrengsten.

[01:43:51] kosten of maatschappelijke opbrengsten. Nou, maatschappelijke kosten is

[01:43:52] Nou, maatschappelijke kosten is eigenlijk wat kost het nu de

[01:43:54] eigenlijk wat kost het nu de maatschappij? Dus bijvoorbeeld eh als er

[01:43:56] maatschappij? Dus bijvoorbeeld eh als er in een eh natuurgebied in Limburg wordt

[01:43:58] in een eh natuurgebied in Limburg wordt opgeofferd om daar een nieuw vliegveld

[01:44:00] opgeofferd om daar een nieuw vliegveld aan te leggen, we gaan het niet over

[01:44:02] aan te leggen, we gaan het niet over euro's hebben, maar de maatschappelijke

[01:44:04] euro's hebben, maar de maatschappelijke opbrengsten zijn dan bijvoorbeeld meer

[01:44:06] opbrengsten zijn dan bijvoorbeeld meer werkgelegenheid. kan je niet direct in

[01:44:08] werkgelegenheid. kan je niet direct in euro's af uitdrukken. Ehm voor

[01:44:11] euro's af uitdrukken. Ehm voor Limburgers die hebben veel meer aanbod

[01:44:13] Limburgers die hebben veel meer aanbod van vluchten vanuit dichtbij huis.

[01:44:15] van vluchten vanuit dichtbij huis. Hoeven niet meer naar Amsterdam of naar

[01:44:16] Hoeven niet meer naar Amsterdam of naar Eindhoven bijvoorbeeld toe. Meer

[01:44:18] Eindhoven bijvoorbeeld toe. Meer toerisme is ook een maatschappelijke

[01:44:19] toerisme is ook een maatschappelijke opbrengst. Kun je niet direct in geld

[01:44:21] opbrengst. Kun je niet direct in geld uitdrukken. Maatschappelijke kosten is

[01:44:23] uitdrukken. Maatschappelijke kosten is natuurlijk wat kost het de maatschappij

[01:44:25] natuurlijk wat kost het de maatschappij zonder in geld uit te drukken. Ja, daar

[01:44:27] zonder in geld uit te drukken. Ja, daar komen waarschijnlijk veel meer files. Er

[01:44:29] komen waarschijnlijk veel meer files. Er komt drukte, er komt overlast van

[01:44:31] komt drukte, er komt overlast van overvliegende vliegtuigen. En je kan

[01:44:33] overvliegende vliegtuigen. En je kan niet zeggen dat kost dan precies zoveel.

[01:44:35] niet zeggen dat kost dan precies zoveel. Dus ik moet zeggen interne externe

[01:44:37] Dus ik moet zeggen interne externe effecten en maatschappelijke opbrengen

[01:44:39] effecten en maatschappelijke opbrengen opbrengst zijn kosten ligt wel een

[01:44:41] opbrengst zijn kosten ligt wel een beetje in het verlengde van elkaar.

[01:44:43] beetje in het verlengde van elkaar. Internect is meer vanuit het bedrijf en

[01:44:45] Internect is meer vanuit het bedrijf en maatschappelijke kosten en opbrengst is

[01:44:47] maatschappelijke kosten en opbrengst is meer vanuit de maatschappij geredeneerd

[01:44:49] meer vanuit de maatschappij geredeneerd zou ik zeggen. Nou, wat voor een eh

[01:44:51] zou ik zeggen. Nou, wat voor een eh vraag is daar? Eh leg twee stappen uit

[01:44:54] vraag is daar? Eh leg twee stappen uit dat het gebruik van aardgas

[01:44:56] dat het gebruik van aardgas maatschappelijke kosten met zich

[01:44:57] maatschappelijke kosten met zich meebrengt. Nou hè maatschappelijke hè

[01:45:00] meebrengt. Nou hè maatschappelijke hè zonnepanelen is een oplossing voor lange

[01:45:02] zonnepanelen is een oplossing voor lange termijn. Zonnepanelen zijn een

[01:45:03] termijn. Zonnepanelen zijn een milieubewuste keuze. Want het gebruik

[01:45:05] milieubewuste keuze. Want het gebruik van fossiele brandstoffen zoals aardgas

[01:45:07] van fossiele brandstoffen zoals aardgas brengt maatschappelijke kosten met zich

[01:45:09] brengt maatschappelijke kosten met zich mee. Nou, welke maatschappelijke kosten

[01:45:10] mee. Nou, welke maatschappelijke kosten brengt het met zich mee? Ze moeten

[01:45:12] brengt het met zich mee? Ze moeten bijvoorbeeld gaan boren. En als ze

[01:45:14] bijvoorbeeld gaan boren. En als ze daarin gaan boren, dan kunnen er

[01:45:15] daarin gaan boren, dan kunnen er bijvoorbeeld aardbevingen ontstaan. Nou,

[01:45:17] bijvoorbeeld aardbevingen ontstaan. Nou, dat zou bijvoorbeeld een eh iets kunnen

[01:45:19] dat zou bijvoorbeeld een eh iets kunnen zijn. Even kijken wat het antwoord is.

[01:45:20] zijn. Even kijken wat het antwoord is. Nou, staat hier niet bij, maar een twee

[01:45:22] Nou, staat hier niet bij, maar een twee stappen uit dat eh maatschappelijke

[01:45:24] stappen uit dat eh maatschappelijke kosten. Nou, je moet je voorstellen als

[01:45:26] kosten. Nou, je moet je voorstellen als ze boren, dan ontstaan aardbevingen.

[01:45:28] ze boren, dan ontstaan aardbevingen. Kijk naar Groningen. En als je dat dan

[01:45:30] Kijk naar Groningen. En als je dat dan hebt ja dan is het natuurlijk dat mensen

[01:45:32] hebt ja dan is het natuurlijk dat mensen zich daardoor onweilig voelen of dat eh

[01:45:35] zich daardoor onweilig voelen of dat eh dat mensen dat niet fijn vinden en

[01:45:36] dat mensen dat niet fijn vinden en daardoor moeten gaan verhuizen. Nou, dat

[01:45:38] daardoor moeten gaan verhuizen. Nou, dat zijn allemaal maatschappelijke kosten.

[01:45:40] zijn allemaal maatschappelijke kosten. Ja, dus zo wordt dat vaak gevraagd. Dan

[01:45:43] Ja, dus zo wordt dat vaak gevraagd. Dan gaan we naar ontwikkelingslanden.

[01:45:45] gaan we naar ontwikkelingslanden. Vroeger noemden ze derde wereldlanden.

[01:45:47] Vroeger noemden ze derde wereldlanden. Sommige methodes gebruiken dat nou, maar

[01:45:48] Sommige methodes gebruiken dat nou, maar dat is eigenlijk de oude term,

[01:45:49] dat is eigenlijk de oude term, ontwikkelingslanden. Een

[01:45:51] ontwikkelingslanden. Een ontwikkelingsland, ja, is natuurlijk

[01:45:53] ontwikkelingsland, ja, is natuurlijk moet je even goed even kijken, hè. Want

[01:45:55] moet je even goed even kijken, hè. Want sommige mensen zeggen dan: "Ja, in een

[01:45:56] sommige mensen zeggen dan: "Ja, in een ontwikkelingsland is de temperatuur vaak

[01:45:58] ontwikkelingsland is de temperatuur vaak hoger of ligt rond de evenaar." Ja,

[01:46:00] hoger of ligt rond de evenaar." Ja, ondanks dat dat wel soms zo is, is dat

[01:46:02] ondanks dat dat wel soms zo is, is dat lang niet altijd zo. Of bijvoorbeeld

[01:46:04] lang niet altijd zo. Of bijvoorbeeld iedereen is haar arm, dat klopt ook

[01:46:06] iedereen is haar arm, dat klopt ook niet. Nee, een ontwikkelingsland

[01:46:08] niet. Nee, een ontwikkelingsland kan je bijvoorbeeld kennen aan

[01:46:09] kan je bijvoorbeeld kennen aan bijvoorbeeld veel al slecht onderwijs.

[01:46:12] bijvoorbeeld veel al slecht onderwijs. Er is veel een monocultuur. Oftewel ze

[01:46:15] Er is veel een monocultuur. Oftewel ze produceren vaak maar één ding. Veel

[01:46:17] produceren vaak maar één ding. Veel sprake van corruptie, weinig tech

[01:46:20] sprake van corruptie, weinig tech technologische ontwikkeling, grote

[01:46:22] technologische ontwikkeling, grote verschillen. Dus een dikke Lorenscurve

[01:46:24] verschillen. Dus een dikke Lorenscurve zeg maar, want het groot verschil tussen

[01:46:26] zeg maar, want het groot verschil tussen arm en rijk, slechte gezondheidszorg en

[01:46:29] arm en rijk, slechte gezondheidszorg en zo kan je er nog wel een paar opnoemen.

[01:46:31] zo kan je er nog wel een paar opnoemen. Maar let even op dat je dus niet zo'n

[01:46:33] Maar let even op dat je dus niet zo'n algemeenheden daaraan aandraagt. Nou,

[01:46:36] algemeenheden daaraan aandraagt. Nou, bijvoorbeeld dan krijg je zo'n som. Dat

[01:46:38] bijvoorbeeld dan krijg je zo'n som. Dat zijn dan vaak meer keuzevragen met een

[01:46:40] zijn dan vaak meer keuzevragen met een visuze cirkel. En die begint de hele

[01:46:42] visuze cirkel. En die begint de hele tijd bij één, bij armoede. En dan zou je

[01:46:44] tijd bij één, bij armoede. En dan zou je dus moeten gaan kijken wat is een direct

[01:46:46] dus moeten gaan kijken wat is een direct gevolgd erbij. Dus we hebben armoede,

[01:46:49] gevolgd erbij. Dus we hebben armoede, niet kunnen lezen en schrijven, niet

[01:46:51] niet kunnen lezen en schrijven, niet naar school, kinderarbeiden, ongeschoold

[01:46:53] naar school, kinderarbeiden, ongeschoold werk. Nou, welke situatie geeft de geeft

[01:46:57] werk. Nou, welke situatie geeft de geeft de juiste weer? Ho. Nou, dan moeten we

[01:46:59] de juiste weer? Ho. Nou, dan moeten we dus even gaan kijken. Belangrijk bij

[01:47:01] dus even gaan kijken. Belangrijk bij deze opdracht is natuurlijk dat je een

[01:47:03] deze opdracht is natuurlijk dat je een direct gevolg gaat kijken, hè. Dus wat

[01:47:06] direct gevolg gaat kijken, hè. Dus wat is nu een direct gevolg van armoede? Is

[01:47:09] is nu een direct gevolg van armoede? Is dat dat ze niet kunnen lezen en

[01:47:10] dat dat ze niet kunnen lezen en schrijven? Is dat dat ze niet naar

[01:47:11] schrijven? Is dat dat ze niet naar school kunnen? Is dat kinderarbeid? Of

[01:47:14] school kunnen? Is dat kinderarbeid? Of is dat ongeschoold werk? Nou, je ziet de

[01:47:16] is dat ongeschoold werk? Nou, je ziet de hele tijd die vijf die ongeschoold werk,

[01:47:19] hele tijd die vijf die ongeschoold werk, daar eindigt hij de hele tijd op. Dus

[01:47:21] daar eindigt hij de hele tijd op. Dus ongeschoold werk zorgen ook weer voor

[01:47:24] ongeschoold werk zorgen ook weer voor armoede. En als dus mensen arm zijn, nou

[01:47:27] armoede. En als dus mensen arm zijn, nou ontstaat dan kinderarbeid? Ontstaat er

[01:47:30] ontstaat dan kinderarbeid? Ontstaat er dan dat ze niet naar school kunnen of

[01:47:31] dan dat ze niet naar school kunnen of omdat ze niet kunnen lezen en schrijven?

[01:47:33] omdat ze niet kunnen lezen en schrijven? Nou, ik zou inderdaad zeggen omdat ze

[01:47:35] Nou, ik zou inderdaad zeggen omdat ze niet naar school kunnen, kunnen ze niet

[01:47:37] niet naar school kunnen, kunnen ze niet lezen en schrijven. En omdat ze niet

[01:47:39] lezen en schrijven. En omdat ze niet kunnen lezen en schrijven, zou je kunnen

[01:47:41] kunnen lezen en schrijven, zou je kunnen zeggen, moeten ze dus wel gaan werken.

[01:47:43] zeggen, moeten ze dus wel gaan werken. En als ze dan gaan werken, dan moeten ze

[01:47:45] En als ze dan gaan werken, dan moeten ze ongeschoold werk doen. Dus zo moet je

[01:47:47] ongeschoold werk doen. Dus zo moet je zeg maar deze sommen bekijken. Je moet

[01:47:50] zeg maar deze sommen bekijken. Je moet ze in logische volgorde zetten. Maar

[01:47:52] ze in logische volgorde zetten. Maar deze is natuurlijk wel het logischste,

[01:47:53] deze is natuurlijk wel het logischste, hè. Of je zegt bijvoorbeeld: "Ja,

[01:47:55] hè. Of je zegt bijvoorbeeld: "Ja, doordat ze kinderarbeid hebben, kunnen

[01:47:58] doordat ze kinderarbeid hebben, kunnen ze niet naar school en kunnen ze

[01:47:59] ze niet naar school en kunnen ze daardoor niet lezen en schrijven en

[01:48:01] daardoor niet lezen en schrijven en daardoor doen ze ongeschoold werk. Dat

[01:48:03] daardoor doen ze ongeschoold werk. Dat zou denk ik ook een goede zijn. Ja. Dus

[01:48:05] zou denk ik ook een goede zijn. Ja. Dus dan begin je zeg maar bij vier en dan

[01:48:06] dan begin je zeg maar bij vier en dan zou ik eerder neigen naar die derde zeg

[01:48:09] zou ik eerder neigen naar die derde zeg maar. Dus eh er is armoede, daardoor

[01:48:12] maar. Dus eh er is armoede, daardoor ontstaat er kinderarbeid, daardoor

[01:48:14] ontstaat er kinderarbeid, daardoor kunnen mensen kunnen ze niet naar

[01:48:15] kunnen mensen kunnen ze niet naar school. Daardoor kunnen ze niet lezen en

[01:48:17] school. Daardoor kunnen ze niet lezen en schrijven. Daardoor moeten ze

[01:48:19] schrijven. Daardoor moeten ze ongeschoold werk doen. En daardoor

[01:48:20] ongeschoold werk doen. En daardoor ontstaat er weer meer kinderarbeid. Dus

[01:48:22] ontstaat er weer meer kinderarbeid. Dus in deze zou ik kiezen voor optie drie en

[01:48:25] in deze zou ik kiezen voor optie drie en dat is antwoord C. Ik weet niet precies

[01:48:27] dat is antwoord C. Ik weet niet precies wat het correctiemodel daarin doet.

[01:48:29] wat het correctiemodel daarin doet. Correct me if I'm wrong.

[01:48:32] Correct me if I'm wrong. Hulp en ontwikkelingslanden. Ja, wat

[01:48:34] Hulp en ontwikkelingslanden. Ja, wat voor een soort hulp hebben. Wij

[01:48:35] voor een soort hulp hebben. Wij herkennen vier soorten hulp. We hebben

[01:48:37] herkennen vier soorten hulp. We hebben op de eerste plek de noodhulp. Op moment

[01:48:39] op de eerste plek de noodhulp. Op moment dat er een ramp plaatsvindt, moet daar

[01:48:41] dat er een ramp plaatsvindt, moet daar meteen hulp naartoe. Structurele hulp is

[01:48:44] meteen hulp naartoe. Structurele hulp is zeg maar hulp op de lange termijn. Dan

[01:48:45] zeg maar hulp op de lange termijn. Dan ga je mensen helpen, maar niet door

[01:48:47] ga je mensen helpen, maar niet door alleen geld of eh of voedselpakketten te

[01:48:49] alleen geld of eh of voedselpakketten te geven, maar eerst om ze zelfvoorzienend

[01:48:52] geven, maar eerst om ze zelfvoorzienend te maken. Zelfvoorzienend wil zeggen dat

[01:48:54] te maken. Zelfvoorzienend wil zeggen dat je ze gaat helpen om bijvoorbeeld hun

[01:48:56] je ze gaat helpen om bijvoorbeeld hun put te slaan, waardoor dat ze drinkwater

[01:48:58] put te slaan, waardoor dat ze drinkwater kunnen krijgen voor de komende jaren.

[01:49:00] kunnen krijgen voor de komende jaren. Gebonden hulp kan ook zijn dat de

[01:49:01] Gebonden hulp kan ook zijn dat de Nederlandse minister naar een Afrikaans

[01:49:03] Nederlandse minister naar een Afrikaans land toe gaat dat in problemen is en

[01:49:05] land toe gaat dat in problemen is en zegt: "Jullie krijgen van ons krijgen

[01:49:07] zegt: "Jullie krijgen van ons krijgen jullie eh 4 miljard eh dollar, 4

[01:49:10] jullie eh 4 miljard eh dollar, 4 miljardo, maar die moeten jullie wel aan

[01:49:12] miljardo, maar die moeten jullie wel aan Nederlandse bedrijven op gaan maken."

[01:49:14] Nederlandse bedrijven op gaan maken." Waarom dan? Helpt het ook de Nederlandse

[01:49:16] Waarom dan? Helpt het ook de Nederlandse economie. Want die bedrijven die moeten

[01:49:18] economie. Want die bedrijven die moeten natuurlijk ook weer allemaal mensen aan

[01:49:19] natuurlijk ook weer allemaal mensen aan gaan nemen. Moeten spullen maken, die

[01:49:21] gaan nemen. Moeten spullen maken, die gaan daar belasting over betalen. Daarom

[01:49:23] gaan daar belasting over betalen. Daarom is gebonden hulp zeker een eh middel.

[01:49:25] is gebonden hulp zeker een eh middel. Nou, bilaterale hulp, dit is wanneer

[01:49:28] Nou, bilaterale hulp, dit is wanneer hulp rechtstreeks van de overheid aan

[01:49:29] hulp rechtstreeks van de overheid aan het ene land aan een andere land wordt

[01:49:31] het ene land aan een andere land wordt gegeven zonder tussenkomst van andere

[01:49:33] gegeven zonder tussenkomst van andere personen of organisaties. Ja, eigenlijk

[01:49:35] personen of organisaties. Ja, eigenlijk als overheden elkaar gaan helpen, dan

[01:49:37] als overheden elkaar gaan helpen, dan noemen we dat de bilaterale hulp.

[01:49:39] noemen we dat de bilaterale hulp. Samengevat noodhulp. Heel erg korte

[01:49:42] Samengevat noodhulp. Heel erg korte termijn is een ramp gebeurd. Structurele

[01:49:44] termijn is een ramp gebeurd. Structurele hulp is, hoe kunnen we een land op lange

[01:49:46] hulp is, hoe kunnen we een land op lange termijn zelfvoorzienend maken? Gebonden

[01:49:48] termijn zelfvoorzienend maken? Gebonden hulp is: we gaan je geld geven, maar je

[01:49:50] hulp is: we gaan je geld geven, maar je moet het wel bij ons opmaken. En

[01:49:52] moet het wel bij ons opmaken. En bilaterale hulp is als overheden elkaar

[01:49:55] bilaterale hulp is als overheden elkaar gaan helpen. Nou

[01:49:58] gaan helpen. Nou is de ontwikkelingshulp met als doel

[01:50:00] is de ontwikkelingshulp met als doel blijf iend verminderen van extreme

[01:50:02] blijf iend verminderen van extreme armoede een vorm van noodshulp,

[01:50:04] armoede een vorm van noodshulp, structurele hulp. Geef een argument voor

[01:50:07] structurele hulp. Geef een argument voor je keuze. Nou, blijvend verminderen van

[01:50:10] je keuze. Nou, blijvend verminderen van extreme armoede. Ja, extreme armoede

[01:50:13] extreme armoede. Ja, extreme armoede zorgt natuurlijk voor honger en

[01:50:14] zorgt natuurlijk voor honger en dergelijke, maar als je het blijvend wil

[01:50:15] dergelijke, maar als je het blijvend wil verminderen, zou ik zeggen dat is

[01:50:17] verminderen, zou ik zeggen dat is structurele hulp, want dan ga je op

[01:50:19] structurele hulp, want dan ga je op lange termijn ga je dat doen.

[01:50:22] lange termijn ga je dat doen. Nou, we gaan nu overswitchen. Eerst gaan

[01:50:25] Nou, we gaan nu overswitchen. Eerst gaan we pauze houden met z'n allen, want

[01:50:26] we pauze houden met z'n allen, want jullie zijn lang aan het kijken.

[01:50:28] jullie zijn lang aan het kijken. Hopelijk ben je er nog bij. En dan gaan

[01:50:30] Hopelijk ben je er nog bij. En dan gaan we nu dadelijk naar het eh laatste

[01:50:31] we nu dadelijk naar het eh laatste onderdeel en dat zijn de berekeningen.

[01:50:34] onderdeel en dat zijn de berekeningen. Dus laat de thee of de koffie even

[01:50:36] Dus laat de thee of de koffie even smaken. Ik ben zo bij jullie terug. Hey

[01:50:39] smaken. Ik ben zo bij jullie terug. Hey allemaal, hopelijk zijn jullie klaar

[01:50:40] allemaal, hopelijk zijn jullie klaar voor een laatste deel. We hebben nu alle

[01:50:42] voor een laatste deel. We hebben nu alle theorie gehad en ik ga met jullie nu

[01:50:44] theorie gehad en ik ga met jullie nu kijken naar alle berekeningen die wat

[01:50:45] kijken naar alle berekeningen die wat jij misschien nodig zou kunnen hebben in

[01:50:48] jij misschien nodig zou kunnen hebben in het examen economie Vmbo. Nou, de basis

[01:50:51] het examen economie Vmbo. Nou, de basis die wat ik altijd even op het begin even

[01:50:53] die wat ik altijd even op het begin even uitleg. Een miljoen heeft zes nullen,

[01:50:55] uitleg. Een miljoen heeft zes nullen, een miljard heeft negen nullen. Euro's

[01:50:57] een miljard heeft negen nullen. Euro's ronden we altijd af op twee decimalen.

[01:50:59] ronden we altijd af op twee decimalen. Dus €1,66

[01:51:01] Dus €1,66 is 1,6767.

[01:51:03] is 1,6767. Ha. Eh procenten meestal op één

[01:51:07] Ha. Eh procenten meestal op één decimaal, tenzij anders aangegeven.

[01:51:09] decimaal, tenzij anders aangegeven. Schrijf altijd je berekening op voor een

[01:51:11] Schrijf altijd je berekening op voor een deelscor. Maak je berekening ook altijd

[01:51:13] deelscor. Maak je berekening ook altijd af, want zelfs met fouten

[01:51:14] af, want zelfs met fouten tussenuitkomsten kun je een deelscore

[01:51:16] tussenuitkomsten kun je een deelscore krijgen. Dat noemen ze een doorwerkfout.

[01:51:18] krijgen. Dat noemen ze een doorwerkfout. Indexcijfers schrijven we altijd zonder

[01:51:20] Indexcijfers schrijven we altijd zonder procenteken. 1 jaar heeft 365 dagen, 52

[01:51:24] procenteken. 1 jaar heeft 365 dagen, 52 weken, 12 maanden en vier kwartalen. En

[01:51:26] weken, 12 maanden en vier kwartalen. En liever een enter teveel op je

[01:51:28] liever een enter teveel op je rekenmachine dan te weinig, hè. Dus ik

[01:51:31] rekenmachine dan te weinig, hè. Dus ik zeg altijd als je aan het rekenen bent

[01:51:32] zeg altijd als je aan het rekenen bent op rekenmachinentje, klik gewoon de hele

[01:51:33] op rekenmachinentje, klik gewoon de hele tijd op enter en niet inderdaad teveel

[01:51:35] tijd op enter en niet inderdaad teveel getallen achter elkaar, want dan kan het

[01:51:37] getallen achter elkaar, want dan kan het zomaar eens fout gaan. Nou eigenlijk

[01:51:40] zomaar eens fout gaan. Nou eigenlijk procenten, daar vallen de heel veel

[01:51:42] procenten, daar vallen de heel veel leerlingen op uit omdat ze het gewoon

[01:51:43] leerlingen op uit omdat ze het gewoon niet denken te snappen. Maar ze snappen

[01:51:45] niet denken te snappen. Maar ze snappen het dan wel. Maar kijk daar vooral ook

[01:51:47] het dan wel. Maar kijk daar vooral ook even de andere filmpjes voor. Een

[01:51:49] even de andere filmpjes voor. Een procent is eigenlijk hetzelfde als één

[01:51:51] procent is eigenlijk hetzelfde als één van de 100. Sound in Frans is ook 100.

[01:51:54] van de 100. Sound in Frans is ook 100. Dus als je 1% moet uitrekenen, kun je op

[01:51:57] Dus als je 1% moet uitrekenen, kun je op je rekenmaine ook 1 delen door 100 doen.

[01:51:59] je rekenmaine ook 1 delen door 100 doen. 1 van de 100 kom je op 0,01 uit. Dus als

[01:52:02] 1 van de 100 kom je op 0,01 uit. Dus als je bijvoorbeeld 5,5%

[01:52:05] je bijvoorbeeld 5,5% van 200 moet berekenen, doe je op

[01:52:07] van 200 moet berekenen, doe je op rekenmachien 5,5 del 100 en dat keer in

[01:52:10] rekenmachien 5,5 del 100 en dat keer in dit geval 200 en dan kom je uit op 11.

[01:52:13] dit geval 200 en dan kom je uit op 11. Nou ehm dan gaan we kijken als je een

[01:52:17] Nou ehm dan gaan we kijken als je een twee dingen hebt. Je kan eigenlijk twee

[01:52:19] twee dingen hebt. Je kan eigenlijk twee echte formules met eh procenten doen.

[01:52:21] echte formules met eh procenten doen. Ofwel eh een gegeven of wel een

[01:52:24] Ofwel eh een gegeven of wel een verandering. Een gegeven dat is iets wat

[01:52:26] verandering. Een gegeven dat is iets wat zo is. Bijvoorbeeld als er in de klas

[01:52:28] zo is. Bijvoorbeeld als er in de klas van jou van de 30 leerlingen 15 jongens

[01:52:31] van jou van de 30 leerlingen 15 jongens zijn en je moet uitrekenen hoeveel

[01:52:33] zijn en je moet uitrekenen hoeveel procent van de klas zijn er jongens, dan

[01:52:35] procent van de klas zijn er jongens, dan doe je het altijd de formule deel. Dus

[01:52:38] doe je het altijd de formule deel. Dus het deel daarvan delen door het geheel

[01:52:40] het deel daarvan delen door het geheel delen door het totaal keer 100%. In dit

[01:52:43] delen door het totaal keer 100%. In dit geval waren het 15 van de 30 leerlingen.

[01:52:45] geval waren het 15 van de 30 leerlingen. Dus je 15 / 30 * 100 = 50%. Nou, hier

[01:52:49] Dus je 15 / 30 * 100 = 50%. Nou, hier staat nog een andere som. Dat is dus op

[01:52:51] staat nog een andere som. Dat is dus op het moment dat iets gegeven is. Als je

[01:52:53] het moment dat iets gegeven is. Als je een stijging of een daling moet

[01:52:55] een stijging of een daling moet uitrekenen, dan hebben we het over een

[01:52:57] uitrekenen, dan hebben we het over een verandering. En bij een verandering doe

[01:52:59] verandering. En bij een verandering doe je altijd de formule nieuw min del door

[01:53:03] je altijd de formule nieuw min del door oud keer 100%. Dus in 2021 verdienen je

[01:53:07] oud keer 100%. Dus in 2021 verdienen je €5. In 2022 ga je €8 per uur verdienen

[01:53:11] €5. In 2022 ga je €8 per uur verdienen bereken de procentuele stijging van je

[01:53:12] bereken de procentuele stijging van je loon. Nou, het nieuwe loon is €8. Het

[01:53:15] loon. Nou, het nieuwe loon is €8. Het oude loon is 5 8-5/

[01:53:19] oude loon is 5 8-5/ 5. Dus 8 - 5 enter delen door 5 enter

[01:53:23] 5. Dus 8 - 5 enter delen door 5 enter 100% enter. En dan krijg je een toename

[01:53:26] 100% enter. En dan krijg je een toename van 60% new en oud delen door outs. Let

[01:53:30] van 60% new en oud delen door outs. Let daarbij op. Of het is dus deel nog heel

[01:53:33] daarbij op. Of het is dus deel nog heel bij gegeven. Dus als ze een toename of

[01:53:35] bij gegeven. Dus als ze een toename of een afname vragen in principe altijd

[01:53:37] een afname vragen in principe altijd nieuw met auto deelout keer 100%

[01:53:39] nieuw met auto deelout keer 100% gebruiken.

[01:53:41] gebruiken. Ehm heel vaak zien we deze fout gaan.

[01:53:43] Ehm heel vaak zien we deze fout gaan. Heel veel mensen denken dan: "Oh ja,

[01:53:44] Heel veel mensen denken dan: "Oh ja, bijvoorbeeld een eh iemand verdient eh

[01:53:46] bijvoorbeeld een eh iemand verdient eh €10 per week. Hoeveel is dat per maand?"

[01:53:48] €10 per week. Hoeveel is dat per maand?" Dan doen ze gewoon hop keer vier. Ja,

[01:53:50] Dan doen ze gewoon hop keer vier. Ja, helaas. Want een maand heeft niet per se

[01:53:53] helaas. Want een maand heeft niet per se vier weken. Dus dan ga je eerst

[01:53:55] vier weken. Dus dan ga je eerst uitrekenen hoeveel is dat dan per jaar?

[01:53:57] uitrekenen hoeveel is dat dan per jaar? Dus dan ga je van week naar keer 52 en

[01:54:01] Dus dan ga je van week naar keer 52 en dat deel je dan door 12. Let daarbij op,

[01:54:04] dat deel je dan door 12. Let daarbij op, dat zijn zondepunten als je die laat

[01:54:06] dat zijn zondepunten als je die laat liggen. Nou, in dit geval hè eh iemand

[01:54:08] liggen. Nou, in dit geval hè eh iemand verdient €40 per week in een

[01:54:10] verdient €40 per week in een krantenwijk. Hoeveel verdient hij per

[01:54:12] krantenwijk. Hoeveel verdient hij per maand? Nou, €40 * 52/ 12 is €173,33.

[01:54:17] maand? Nou, €40 * 52/ 12 is €173,33. En sommige leerlingen gaan dan

[01:54:18] En sommige leerlingen gaan dan opschrijven of €40 per week keer 4 week

[01:54:21] opschrijven of €40 per week keer 4 week is €160. Dat is niet het goede antwoord.

[01:54:25] is €160. Dat is niet het goede antwoord. Eh van maand naar week. Die is in

[01:54:27] Eh van maand naar week. Die is in principe ook wel makkelijk hè, want dat

[01:54:29] principe ook wel makkelijk hè, want dat doe je eerst keer 12 en dan delen het

[01:54:31] doe je eerst keer 12 en dan delen het door 52. Ehm gaan we dan naar het

[01:54:35] door 52. Ehm gaan we dan naar het volgende. Marktaandeel. Het marktaandeel

[01:54:37] volgende. Marktaandeel. Het marktaandeel heeft niks met aandelen te maken, maar

[01:54:39] heeft niks met aandelen te maken, maar betekent eigenlijk als je naar één

[01:54:41] betekent eigenlijk als je naar één bedrijf gaat kijken ten opzichte van

[01:54:43] bedrijf gaat kijken ten opzichte van alle bedrijven in dezelfde markt. Dus

[01:54:45] alle bedrijven in dezelfde markt. Dus bijvoorbeeld als we met de drie

[01:54:47] bijvoorbeeld als we met de drie providers hebben, hier staat T-Mobile is

[01:54:49] providers hebben, hier staat T-Mobile is inmiddels Odido natuurlijk geworden,

[01:54:51] inmiddels Odido natuurlijk geworden, maar je hebt drie aanbieders en je gaat

[01:54:53] maar je hebt drie aanbieders en je gaat bijvoorbeeld kijken op basis van

[01:54:54] bijvoorbeeld kijken op basis van klanten. 5 miljoen KPN voor een 3

[01:54:57] klanten. 5 miljoen KPN voor een 3 miljoen en eh Team Mobile 2 miljoen.

[01:54:59] miljoen en eh Team Mobile 2 miljoen. Berekenend marktaandeel van T-Mobile.

[01:55:02] Berekenend marktaandeel van T-Mobile. Nou, Team Mobile heeft 2 miljoen

[01:55:04] Nou, Team Mobile heeft 2 miljoen klanten. In totaal zijn er 10 miljoen

[01:55:06] klanten. In totaal zijn er 10 miljoen klanten. Dus doe je 2 van de 10 keer

[01:55:10] klanten. Dus doe je 2 van de 10 keer 100% is 20%. Ja. Dus het marktaandeel

[01:55:14] 100% is 20%. Ja. Dus het marktaandeel kan je dus kijken op basis van een

[01:55:15] kan je dus kijken op basis van een aantal klanten op de winst, op de nou

[01:55:18] aantal klanten op de winst, op de nou noem maar even op. Kan je allemaal

[01:55:19] noem maar even op. Kan je allemaal marktaandeel. Dus je kijkt naar één

[01:55:21] marktaandeel. Dus je kijkt naar één bedrijf ten opzichte van alle bedrijven

[01:55:22] bedrijf ten opzichte van alle bedrijven in die sector.

[01:55:24] in die sector. Ehm bereken over smartwatches. Apple

[01:55:26] Ehm bereken over smartwatches. Apple heeft verkocht in het derde kwartaal.

[01:55:28] heeft verkocht in het derde kwartaal. Nou, daar zie je inderdaad Apple heeft

[01:55:30] Nou, daar zie je inderdaad Apple heeft 23% verkocht. In totaal zijn dat 17,3

[01:55:34] 23% verkocht. In totaal zijn dat 17,3 miljoen stuks verkocht. Dus je doet 23%

[01:55:37] miljoen stuks verkocht. Dus je doet 23% van 17,3 miljoen. En dan doe je dat zo

[01:55:41] van 17,3 miljoen. En dan doe je dat zo op je rekenmachijentje op de manier die

[01:55:42] op je rekenmachijentje op de manier die wat jou uitkomt. En dan kom je dus uit

[01:55:44] wat jou uitkomt. En dan kom je dus uit dat Apple 3.979.000

[01:55:47] dat Apple 3.979.000 telefoons heeft verkocht. Nou, dit soort

[01:55:50] telefoons heeft verkocht. Nou, dit soort aandelen eh eh marktaandeel sommetjes

[01:55:53] aandelen eh eh marktaandeel sommetjes die zou je ook kunnen krijgen. Nou,

[01:55:55] die zou je ook kunnen krijgen. Nou, kredietkosten eigenlijk betekent dat je

[01:55:58] kredietkosten eigenlijk betekent dat je gaat kijken maar wat is nu het verschil

[01:56:00] gaat kijken maar wat is nu het verschil tussen hoeveel heb ik nu geleend en

[01:56:02] tussen hoeveel heb ik nu geleend en hoeveel moet ik uiteindelijk terug gaan

[01:56:04] hoeveel moet ik uiteindelijk terug gaan betalen? Dat zijn de kredietkosten. Dus

[01:56:06] betalen? Dat zijn de kredietkosten. Dus als ik €1000 len en €100 moet

[01:56:08] als ik €1000 len en €100 moet terugbetalen zijn mijn kredietkosten

[01:56:10] terugbetalen zijn mijn kredietkosten €100 in dit geval hè. Nou eh als je

[01:56:14] €100 in dit geval hè. Nou eh als je €1000 voor é jaar 1 jaar lang tegen 5%

[01:56:17] €1000 voor é jaar 1 jaar lang tegen 5% hebt geleend, moet je terugbetalen €050.

[01:56:20] hebt geleend, moet je terugbetalen €050. Daar moet je dan wel die €1000 wat je

[01:56:22] Daar moet je dan wel die €1000 wat je hebt gekregen vanaf halen, want dat zijn

[01:56:24] hebt gekregen vanaf halen, want dat zijn natuurlijk niet de kosten, want die heb

[01:56:25] natuurlijk niet de kosten, want die heb je gekregen, moet je wel terugbetalen.

[01:56:27] je gekregen, moet je wel terugbetalen. Dus zijn de kredietkosten zijn dan €50.

[01:56:30] Dus zijn de kredietkosten zijn dan €50. Is ook vrij makkelijk te begrijpen,

[01:56:32] Is ook vrij makkelijk te begrijpen, lijkt me zo. Eh Dani komt een scooter te

[01:56:35] lijkt me zo. Eh Dani komt een scooter te waarde van €600. Dat doet hij op

[01:56:37] waarde van €600. Dat doet hij op afbetalingen maandelijks €30. Hij

[01:56:39] afbetalingen maandelijks €30. Hij spreekt achter dat hij dan een 2 jaar

[01:56:41] spreekt achter dat hij dan een 2 jaar zal terugbetalen. Bereken de totale

[01:56:43] zal terugbetalen. Bereken de totale kredietkosten. Nou, heel simpel. 2 jaar

[01:56:46] kredietkosten. Nou, heel simpel. 2 jaar is 2 keer 12 maanden. Oftewel 24

[01:56:48] is 2 keer 12 maanden. Oftewel 24 maanden. Je doet wel 24 maanden keer die

[01:56:51] maanden. Je doet wel 24 maanden keer die €30. Nou, dan kom je dus uit op eh 30 *

[01:56:55] €30. Nou, dan kom je dus uit op eh 30 * 24 is dus €720.

[01:56:59] 24 is dus €720. Maar je hebt €600 aan waarde

[01:57:01] Maar je hebt €600 aan waarde teruggekregen. Dus je hebt €720 betaald

[01:57:04] teruggekregen. Dus je hebt €720 betaald voor iets wat €600 waarde heeft. De

[01:57:07] voor iets wat €600 waarde heeft. De kredietkosten zijn in dit geval dus

[01:57:09] kredietkosten zijn in dit geval dus €120's.

[01:57:12] Afschrijving eh dat verwisselen heel

[01:57:14] Afschrijving eh dat verwisselen heel veel leerlingen met iets eh dat

[01:57:16] veel leerlingen met iets eh dat afgeschreven wordt van jouw

[01:57:17] afgeschreven wordt van jouw bankrekening. Heeft er niks mee te

[01:57:19] bankrekening. Heeft er niks mee te maken. Afschrijving economisch gezien is

[01:57:22] maken. Afschrijving economisch gezien is iets wat minder waard gaat worden. Dus

[01:57:24] iets wat minder waard gaat worden. Dus bijvoorbeeld machines of iets

[01:57:25] bijvoorbeeld machines of iets dergelijks. De formule daarvoor is de

[01:57:27] dergelijks. De formule daarvoor is de afschrijving per jaar zijn nieuwwaarde

[01:57:29] afschrijving per jaar zijn nieuwwaarde minder restjaren delen door het aantal

[01:57:31] minder restjaren delen door het aantal gebruiksjaren. Nieuwwaarde is wat kost

[01:57:33] gebruiksjaren. Nieuwwaarde is wat kost het product in de winkel? Nieuw.

[01:57:36] het product in de winkel? Nieuw. Restwaarde is wat levert je dat nog op

[01:57:38] Restwaarde is wat levert je dat nog op na een paar jaar en het aantal

[01:57:39] na een paar jaar en het aantal gebruiksjaar is hoelang ga je dat dan

[01:57:41] gebruiksjaar is hoelang ga je dat dan gebruiken? Dus Jayden heeft een nieuwe

[01:57:43] gebruiken? Dus Jayden heeft een nieuwe auto gekocht met een nieuwe prijs van

[01:57:44] auto gekocht met een nieuwe prijs van €40.000. Hij is van plan om 5 jaar te

[01:57:47] €40.000. Hij is van plan om 5 jaar te rijden en die toor te verkopen over 5

[01:57:50] rijden en die toor te verkopen over 5 jaar voor €10.000. Nou, dan zouden ze

[01:57:52] jaar voor €10.000. Nou, dan zouden ze bijvoorbeeld kunnen eh vragen hoeveel is

[01:57:54] bijvoorbeeld kunnen eh vragen hoeveel is de afschrijving in totaal? Nou, de

[01:57:56] de afschrijving in totaal? Nou, de afschrijving is 40.000 eh is een nieuw

[01:57:59] afschrijving is 40.000 eh is een nieuw waarde min de restwaarde 10.000. Dus de

[01:58:02] waarde min de restwaarde 10.000. Dus de waardevermindering is 30.000. Maar ze

[01:58:05] waardevermindering is 30.000. Maar ze zouden ook kunnen zeggen: berekenen

[01:58:06] zouden ook kunnen zeggen: berekenen afschrijving per jaar. Nou, de

[01:58:08] afschrijving per jaar. Nou, de afschrijving in totaal is 30.000. Hij

[01:58:10] afschrijving in totaal is 30.000. Hij gaat er 5 jaar mee rijden. Dus 30.000 /

[01:58:14] gaat er 5 jaar mee rijden. Dus 30.000 / 5 = 6.000. En dan gaan we kijken €6000

[01:58:18] 5 = 6.000. En dan gaan we kijken €6000 per jaar. En dan hebben we bij eh de

[01:58:21] per jaar. En dan hebben we bij eh de boekwaarde na 3 jaar. Nou, dan is hij

[01:58:24] boekwaarde na 3 jaar. Nou, dan is hij dus 3 ke €6.000 minder waard geworden.

[01:58:27] dus 3 ke €6.000 minder waard geworden. Dat is €18.000. Hij heeft hem

[01:58:29] Dat is €18.000. Hij heeft hem aangeschaft voor 40.000. Dus 40.000 1000

[01:58:32] aangeschaft voor 40.000. Dus 40.000 1000 minder afschrijving. 3* 6000 is 18.000.

[01:58:35] minder afschrijving. 3* 6000 is 18.000. Hou je nog €2.000

[01:58:38] Hou je nog €2.000 over aan de boekwaarde. Die wordt bijna

[01:58:41] over aan de boekwaarde. Die wordt bijna nooit gevraagd overigens. En hoeveel is

[01:58:43] nooit gevraagd overigens. En hoeveel is er totaal afgeschreven na 4 jaar? Nou 4

[01:58:46] er totaal afgeschreven na 4 jaar? Nou 4 jaar de afschrijving is €6000 per jaar.

[01:58:50] jaar de afschrijving is €6000 per jaar. 6000 * 4 is 24.000. Dus afschrijving is

[01:58:54] 6000 * 4 is 24.000. Dus afschrijving is waardevermindering.

[01:58:56] waardevermindering. Enkelvoudige en samengestelde rente.

[01:58:58] Enkelvoudige en samengestelde rente. Rente noemen we ook wel eens interest.

[01:59:01] Rente noemen we ook wel eens interest. Nou, enkelvoudig wil eigenlijk zeggen

[01:59:03] Nou, enkelvoudig wil eigenlijk zeggen als je doet sparen, dan krijg je ieder

[01:59:05] als je doet sparen, dan krijg je ieder jaar hetzelfde bedrag erbij. Dus

[01:59:07] jaar hetzelfde bedrag erbij. Dus bijvoorbeeld eh je begint met €1000 en

[01:59:11] bijvoorbeeld eh je begint met €1000 en eh je krijgt eh 5% rente. Nou, dat is

[01:59:14] eh je krijgt eh 5% rente. Nou, dat is €50 per jaar. 5% van 1000 is 50. Krijg

[01:59:17] €50 per jaar. 5% van 1000 is 50. Krijg je in het eerste jaar 50 erbij. Het 2ede

[01:59:19] je in het eerste jaar 50 erbij. Het 2ede jaar 50, 3 4de, 5, ieder jaar krijg je

[01:59:21] jaar 50, 3 4de, 5, ieder jaar krijg je €50 erbij. Ja, hier staat nog een

[01:59:24] €50 erbij. Ja, hier staat nog een voorbeeldsom. Ook hier zijn voldoende

[01:59:26] voorbeeldsom. Ook hier zijn voldoende filmpjes over mijn kanaal om dat eens

[01:59:28] filmpjes over mijn kanaal om dat eens rustig te kijken. Dat is de enkelvoudige

[01:59:31] rustig te kijken. Dat is de enkelvoudige rente. Soms in de opgave staat ook de

[01:59:34] rente. Soms in de opgave staat ook de samengestelde rente. En samengestelde

[01:59:36] samengestelde rente. En samengestelde rente bedoelen we eigenlijk rente over

[01:59:38] rente bedoelen we eigenlijk rente over rente. Dus je kan ook wel weer die 5%

[01:59:41] rente. Dus je kan ook wel weer die 5% hebben. Je begint met €1000 en

[01:59:43] hebben. Je begint met €1000 en vervolgens na 1 jaar heb je €10.

[01:59:46] vervolgens na 1 jaar heb je €10. Maar het jaar daarna krijg je 5% rente

[01:59:49] Maar het jaar daarna krijg je 5% rente van die €150 en niet van het

[01:59:52] van die €150 en niet van het beginbedrag. In dit geval die 1000.

[01:59:55] beginbedrag. In dit geval die 1000. Dus dat zie je hier inderdaad staan.

[01:59:57] Dus dat zie je hier inderdaad staan. Nou, hoe ga je dat uitrekenen? Ik zeg

[01:59:59] Nou, hoe ga je dat uitrekenen? Ik zeg altijd doe het beginbedrag. In dit geval

[02:00:00] altijd doe het beginbedrag. In dit geval €1000 keer 1,0 en dan het

[02:00:03] €1000 keer 1,0 en dan het rentepercentage. Niet tussen haakjes

[02:00:06] rentepercentage. Niet tussen haakjes zetten op je rekenmachientje. Dus in dit

[02:00:08] zetten op je rekenmachientje. Dus in dit geval €1000 keer 1,05 want de rente was

[02:00:11] geval €1000 keer 1,05 want de rente was 5%. En dan doe je tot de macht, dat is

[02:00:14] 5%. En dan doe je tot de macht, dat is dat hoedje het aantal jaren. Dus

[02:00:16] dat hoedje het aantal jaren. Dus bijvoorbeeld ik wil dat voor eh nou ja

[02:00:18] bijvoorbeeld ik wil dat voor eh nou ja eh zeg eens even 5 jaar uitrekenen ofzo.

[02:00:21] eh zeg eens even 5 jaar uitrekenen ofzo. Nou hier je krijgt 3% samengestelde

[02:00:23] Nou hier je krijgt 3% samengestelde rente. Je hebt €2000 gespaard. Dus dan

[02:00:26] rente. Je hebt €2000 gespaard. Dus dan krijg je beginbedrag 2000 * 1,0 en dan

[02:00:30] krijg je beginbedrag 2000 * 1,0 en dan de rente is 3% dus is keer 1,03. En dan

[02:00:33] de rente is 3% dus is keer 1,03. En dan doe je hoedje oftewel tot de macht het

[02:00:35] doe je hoedje oftewel tot de macht het aantal jaren in dit geval tot de macht 5

[02:00:37] aantal jaren in dit geval tot de macht 5 jaar. En dan kom je dus uit op €2318,55.

[02:00:42] jaar. En dan kom je dus uit op €2318,55. Let op, je bent er nog niet klaar, want

[02:00:44] Let op, je bent er nog niet klaar, want dat ligt aan de vraag dan. Als ze

[02:00:45] dat ligt aan de vraag dan. Als ze bijvoorbeeld vragen: "Wat is het

[02:00:47] bijvoorbeeld vragen: "Wat is het eindbedrag wat je na 5 jaar gespaard

[02:00:48] eindbedrag wat je na 5 jaar gespaard hebt?" Dan is het dat. Maar als ze

[02:00:50] hebt?" Dan is het dat. Maar als ze vragen hoeveel rente heb je nu ontvangen

[02:00:52] vragen hoeveel rente heb je nu ontvangen in die 5 jaar, dan moet je het

[02:00:54] in die 5 jaar, dan moet je het beginbedrag daar wel natuurlijk nog

[02:00:55] beginbedrag daar wel natuurlijk nog vanaf doen. Dus dan moet je 231855

[02:00:59] vanaf doen. Dus dan moet je 231855 minu 2000. Dus dan kom je uit op

[02:01:01] minu 2000. Dus dan kom je uit op €318,55.

[02:01:03] €318,55. Ligt er dus maar net aan welke vraag dat

[02:01:06] Ligt er dus maar net aan welke vraag dat je hebt gehad.

[02:01:08] je hebt gehad. Van inkoopprijs naar consumentenprijs.

[02:01:10] Van inkoopprijs naar consumentenprijs. Ja, dat is ook een leuke. Wordt ook

[02:01:11] Ja, dat is ook een leuke. Wordt ook steeds vaker gevraagd. De inkoopprijs

[02:01:13] steeds vaker gevraagd. De inkoopprijs naar een laptop is €450. De brutinstop

[02:01:16] naar een laptop is €450. De brutinstop opslag is 35% van de inkoopprijs. De btw

[02:01:19] opslag is 35% van de inkoopprijs. De btw is 21%. Bereken de consumentenprijs.

[02:01:22] is 21%. Bereken de consumentenprijs. Nou, de basis is die €450, hè. Nou, dat

[02:01:26] Nou, de basis is die €450, hè. Nou, dat is 100%. We willen daar 35% bovenop gaan

[02:01:30] is 100%. We willen daar 35% bovenop gaan tellen. Dus we gaan 35% dus 35/ 100 en

[02:01:34] tellen. Dus we gaan 35% dus 35/ 100 en dat keer die 450

[02:01:36] dat keer die 450 is €157,50.

[02:01:38] is €157,50. Dus dat tel je bovenop. Dus eigenlijk

[02:01:41] Dus dat tel je bovenop. Dus eigenlijk zeggen ze de verkoopprijs, let even op,

[02:01:44] zeggen ze de verkoopprijs, let even op, de verkoopprijs is die twee bij elkaar.

[02:01:46] de verkoopprijs is die twee bij elkaar. De verkoopprijs is niet de prijs waar

[02:01:48] De verkoopprijs is niet de prijs waar het voor in de winkel ligt. Let op, want

[02:01:51] het voor in de winkel ligt. Let op, want dat is de consumentenprijs en dan moet

[02:01:53] dat is de consumentenprijs en dan moet je er nog een keer btw optellen. Nou,

[02:01:55] je er nog een keer btw optellen. Nou, dan gaan we even wat eh een trucje doen,

[02:01:57] dan gaan we even wat eh een trucje doen, zeg maar. Hier staat dan wel 135% bij,

[02:02:00] zeg maar. Hier staat dan wel 135% bij, maar als we de verkoopprijs hebben, dan

[02:02:01] maar als we de verkoopprijs hebben, dan zetten we die eigenlijk terug op 100%.

[02:02:04] zetten we die eigenlijk terug op 100%. Dus we zeggen eigenlijk oké, vanaf nu

[02:02:06] Dus we zeggen eigenlijk oké, vanaf nu maken we van €67,50 even 100%. Zie je

[02:02:10] maken we van €67,50 even 100%. Zie je hier ook gebeuren. En dan moet je daar

[02:02:12] hier ook gebeuren. En dan moet je daar weer 21% bovenop bij tellen, want dat is

[02:02:14] weer 21% bovenop bij tellen, want dat is de btw. Nou, 21% is 0,21 op je

[02:02:18] de btw. Nou, 21% is 0,21 op je rekenmachinentje keer je €67,50.

[02:02:21] rekenmachinentje keer je €67,50. Betekent dus dat de €127,58

[02:02:24] Betekent dus dat de €127,58 opkomt. En dan heb je dus een

[02:02:26] opkomt. En dan heb je dus een consumentenprijs van €735,8.

[02:02:30] consumentenprijs van €735,8. Wil dus even zeggen voor dit bedrijf,

[02:02:32] Wil dus even zeggen voor dit bedrijf, zij krijgen €735 a 8 cent binnen, maar

[02:02:36] zij krijgen €735 a 8 cent binnen, maar zij mogen daar maar €67,50 van houden,

[02:02:38] zij mogen daar maar €67,50 van houden, want de btw die gaat naar de overheid

[02:02:40] want de btw die gaat naar de overheid toe. En dan moeten ze dan om te kijken

[02:02:42] toe. En dan moeten ze dan om te kijken hoeveel winst is er nog gemaakt, moeten

[02:02:44] hoeveel winst is er nog gemaakt, moeten ze nog een keer die inkoopprijs

[02:02:46] ze nog een keer die inkoopprijs daarvanaf halen. En dan hou je dus

[02:02:47] daarvanaf halen. En dan hou je dus eigenlijk over dat de brutowinstopslag

[02:02:49] eigenlijk over dat de brutowinstopslag de winst is voor het bedrijf. Dus voor

[02:02:52] de winst is voor het bedrijf. Dus voor deze laptop maakt het bedrijf €157,50

[02:02:56] deze laptop maakt het bedrijf €157,50 winst. Zo mag je het wel even zeggen.

[02:02:58] winst. Zo mag je het wel even zeggen. Kort gezegd,

[02:03:00] Kort gezegd, exclusief btw. Ja, wat zien we hier

[02:03:02] exclusief btw. Ja, wat zien we hier staan? Heel veel leerlingen gaan hier de

[02:03:04] staan? Heel veel leerlingen gaan hier de mis op in, want dan zien ze bijvoorbeeld

[02:03:05] mis op in, want dan zien ze bijvoorbeeld een prijs staan, hè. €847

[02:03:09] een prijs staan, hè. €847 inclusief 21% btw. Bereken de prijs

[02:03:11] inclusief 21% btw. Bereken de prijs zonder eh zonder de btw. Dan gaan heel

[02:03:14] zonder eh zonder de btw. Dan gaan heel veel leerlingen gewoon 21% er van

[02:03:15] veel leerlingen gewoon 21% er van afhalen. En dat kan niet, want je gaat

[02:03:17] afhalen. En dat kan niet, want je gaat namelijk 21% van 121 afhalen, niet van

[02:03:21] namelijk 21% van 121 afhalen, niet van 100%. Dus ik zeg altijd maak een

[02:03:24] 100%. Dus ik zeg altijd maak een verhoudingstabel. Ga terug. Nou, 121% is

[02:03:28] verhoudingstabel. Ga terug. Nou, 121% is gelijk aan 847.

[02:03:30] gelijk aan 847. We willen 100% weten. Dus we doen eerst

[02:03:33] We willen 100% weten. Dus we doen eerst delen door 121. Dan gaan we naar 1% toe.

[02:03:37] delen door 121. Dan gaan we naar 1% toe. Boven de streep 100 del 121 is onder de

[02:03:40] Boven de streep 100 del 121 is onder de streep ook delen door 121. We willen

[02:03:43] streep ook delen door 121. We willen 100% weten hoe gaan we van 1 naar 100?

[02:03:45] 100% weten hoe gaan we van 1 naar 100? Doen we keer 100. Dus dit bedrag doen we

[02:03:47] Doen we keer 100. Dus dit bedrag doen we dan ook keer 100 en dan hebben we dus

[02:03:49] dan ook keer 100 en dan hebben we dus €700 over. Dat is dus met 21% BTB. Maar

[02:03:53] €700 over. Dat is dus met 21% BTB. Maar je zou dat natuurlijk ook kunnen doen

[02:03:55] je zou dat natuurlijk ook kunnen doen met 9% BTW, hè. Alleen dan moet je hem

[02:03:57] met 9% BTW, hè. Alleen dan moet je hem natuurlijk delen door eh 109. Dus €2,18

[02:04:03] natuurlijk delen door eh 109. Dus €2,18 inclusief 9% BTW. Dat is dus 109%. We

[02:04:07] inclusief 9% BTW. Dat is dus 109%. We gaan terug naar 1% en dan kunnen we 100%

[02:04:10] gaan terug naar 1% en dan kunnen we 100% uitrekenen. Delen door 109 hier is delen

[02:04:13] uitrekenen. Delen door 109 hier is delen door 109 daar. En van 1 naar 100 is keer

[02:04:16] door 109 daar. En van 1 naar 100 is keer 100. Dus dan doen we die ook keer 100.

[02:04:17] 100. Dus dan doen we die ook keer 100. Dus de prijs exief de btw is €2. In dit

[02:04:21] Dus de prijs exief de btw is €2. In dit geval ook hiervoor staan voldoende

[02:04:23] geval ook hiervoor staan voldoende filmpjes van online op mijn kanaal, maar

[02:04:25] filmpjes van online op mijn kanaal, maar dit is gewoon even een reminder om niet

[02:04:28] dit is gewoon even een reminder om niet te gaan delen door 100 en dan een keer

[02:04:30] te gaan delen door 100 en dan een keer 21 ofzo, want dan kom je gewoon niet

[02:04:32] 21 ofzo, want dan kom je gewoon niet goed uit.

[02:04:34] goed uit. Saldo berekenen, nou doen ze ook wel

[02:04:36] Saldo berekenen, nou doen ze ook wel steeds regelmatiger, hè. Een debet saldo

[02:04:38] steeds regelmatiger, hè. Een debet saldo is als je in het rood staat. Een credit

[02:04:40] is als je in het rood staat. Een credit saldo is als je in het groen staat. In

[02:04:42] saldo is als je in het groen staat. In het rood betekent eigenlijk dat je dus

[02:04:45] het rood betekent eigenlijk dat je dus onder nul staat. Ja, dus dan heb je een

[02:04:47] onder nul staat. Ja, dus dan heb je een debet salaldo. Nou, dus bijvoorbeeld hè

[02:04:50] debet salaldo. Nou, dus bijvoorbeeld hè eh je hebt bijvoorbeeld eh €150 een

[02:04:53] eh je hebt bijvoorbeeld eh €150 een credit saldo. Dus je staat in het groen.

[02:04:55] credit saldo. Dus je staat in het groen. Vervolgens wordt er loon bijgestort van

[02:04:57] Vervolgens wordt er loon bijgestort van €200. Dan heb je dus eigenlijk €350 op

[02:05:00] €200. Dan heb je dus eigenlijk €350 op je rekening. Maar je huur van €400 gaat

[02:05:03] je rekening. Maar je huur van €400 gaat er weer af. Nou, €350 in de plus €400.

[02:05:07] er weer af. Nou, €350 in de plus €400. Dan sta je €50 in de min. En dan heb je

[02:05:09] Dan sta je €50 in de min. En dan heb je dus een debetsaldo van €50.

[02:05:13] dus een debetsaldo van €50. Nou, sal berekenen is ook niet zo

[02:05:15] Nou, sal berekenen is ook niet zo moeilijk. Tijd voor een kleine break. We

[02:05:18] moeilijk. Tijd voor een kleine break. We gaan verder met de betalingsbalans.

[02:05:20] gaan verder met de betalingsbalans. Hebben we in de theorie natuurlijk al

[02:05:21] Hebben we in de theorie natuurlijk al uitgelegd met een paar voorbeelden. De

[02:05:23] uitgelegd met een paar voorbeelden. De importwaarde van Nederland is 50 miljard

[02:05:26] importwaarde van Nederland is 50 miljard en de exportwaarde is 85 miljard. Is er

[02:05:28] en de exportwaarde is 85 miljard. Is er sprake van een tekort of een overschot?

[02:05:31] sprake van een tekort of een overschot? Nou, net zoals normaal de exportwaarde

[02:05:33] Nou, net zoals normaal de exportwaarde is meer dan de importwaarde. Dus er is

[02:05:35] is meer dan de importwaarde. Dus er is sprake van een soort van winst. Als je

[02:05:38] sprake van een soort van winst. Als je winst met overschot doet, dan is dat

[02:05:40] winst met overschot doet, dan is dat eigenlijk wel prima. Dus Nederland

[02:05:42] eigenlijk wel prima. Dus Nederland ontvangt meer inkomsten uit het

[02:05:43] ontvangt meer inkomsten uit het buitenland dan wordt er wordt

[02:05:44] buitenland dan wordt er wordt uitgegeven. Dus er is een positief saldo

[02:05:47] uitgegeven. Dus er is een positief saldo en dan is er dus een overschot. De

[02:05:50] en dan is er dus een overschot. De importwaarde van Nederland is 80 miljard

[02:05:51] importwaarde van Nederland is 80 miljard en de exportwaarde is 50 miljard. Dat is

[02:05:53] en de exportwaarde is 50 miljard. Dat is er sprake van een tekort of van een

[02:05:55] er sprake van een tekort of van een overschot. Nou, we doen eh importeren

[02:05:58] overschot. Nou, we doen eh importeren voor 80 miljard en exporteren voor 50

[02:06:00] voor 80 miljard en exporteren voor 50 miljard. Dat wil zeggen dat er een

[02:06:01] miljard. Dat wil zeggen dat er een verschil van 30 zit. Is een negatief

[02:06:03] verschil van 30 zit. Is een negatief verschil. Dus dat wil zeggen dat er een

[02:06:05] verschil. Dus dat wil zeggen dat er een tekort is op de handelsbalans, op de

[02:06:08] tekort is op de handelsbalans, op de betalingsbalans van Nederland van 30

[02:06:10] betalingsbalans van Nederland van 30 miljard. Heel even in de vingers

[02:06:12] miljard. Heel even in de vingers krijgen, maar dit is niet heel erg

[02:06:14] krijgen, maar dit is niet heel erg moeilijk. Al zou je al gewoon de

[02:06:15] moeilijk. Al zou je al gewoon de getallen opschrijven, dan kan je vaak

[02:06:17] getallen opschrijven, dan kan je vaak natuurlijk al een puntje daarvoor

[02:06:18] natuurlijk al een puntje daarvoor scoren. Kostprijs per product. Nou,

[02:06:21] scoren. Kostprijs per product. Nou, hoeveel kost het nou om een product te

[02:06:23] hoeveel kost het nou om een product te maken? Nou, dan moeten we gaan kijken

[02:06:25] maken? Nou, dan moeten we gaan kijken naar de vaste kosten. We moeten kijken

[02:06:27] naar de vaste kosten. We moeten kijken naar alle variabele kosten. En dat gaan

[02:06:29] naar alle variabele kosten. En dat gaan we delen door het aantal producten. En

[02:06:30] we delen door het aantal producten. En dan kom je uit op de kostprijs. Nou,

[02:06:33] dan kom je uit op de kostprijs. Nou, voor de productie zijn van de schoenen

[02:06:34] voor de productie zijn van de schoenen zijn de volgende gegevens bekend.

[02:06:36] zijn de volgende gegevens bekend. Constant de kosten zijn €10.000. Die

[02:06:38] Constant de kosten zijn €10.000. Die blijven ook zo. Eh de variabele kosten

[02:06:40] blijven ook zo. Eh de variabele kosten zijn €2 per stuk en worden per maand

[02:06:43] zijn €2 per stuk en worden per maand 8.000 stuks geproduceerd. Bereken de

[02:06:45] 8.000 stuks geproduceerd. Bereken de kostprijs. Nou, eerst de totale kosten

[02:06:48] kostprijs. Nou, eerst de totale kosten bepalen. €10.000 die heb je sowieso en

[02:06:51] bepalen. €10.000 die heb je sowieso en dan €2 per stuk. Je gaat 8.000 stuks

[02:06:54] dan €2 per stuk. Je gaat 8.000 stuks maken. Dus dat wil zeggen 8.000 stuks

[02:06:57] maken. Dus dat wil zeggen 8.000 stuks €2. Die kosten variabel zijn dus 16.000.

[02:07:01] €2. Die kosten variabel zijn dus 16.000. 8000 * 2. Nou, die 16.000 die tel je bij

[02:07:05] 8000 * 2. Nou, die 16.000 die tel je bij die 10.000 op. Dus in totaal zijn jouw

[02:07:07] die 10.000 op. Dus in totaal zijn jouw kosten €26.000.

[02:07:10] kosten €26.000. Vervolgens moet je dat dan nog delen

[02:07:11] Vervolgens moet je dat dan nog delen door het aantal producten. Dus die

[02:07:13] door het aantal producten. Dus die 26.000 die ga je delen door die 8.000

[02:07:16] 26.000 die ga je delen door die 8.000 1000 en dan zal je hem uitkrijgen. €3,25

[02:07:20] 1000 en dan zal je hem uitkrijgen. €3,25 per stuk is de kostprijs. Dan heb je dus

[02:07:23] per stuk is de kostprijs. Dan heb je dus de constante en de variabele kosten bij

[02:07:25] de constante en de variabele kosten bij elkaar opgeteld. Dat is de kostprijs per

[02:07:28] elkaar opgeteld. Dat is de kostprijs per product.

[02:07:29] product. Arbeidsproductiviteit zeg ik altijd. Als

[02:07:32] Arbeidsproductiviteit zeg ik altijd. Als je naar één persoon en één tijdseenheid

[02:07:35] je naar één persoon en één tijdseenheid gaat kijken, dan kan je de

[02:07:36] gaat kijken, dan kan je de arbeidsproductiviteit gaan berekenen.

[02:07:38] arbeidsproductiviteit gaan berekenen. Nou, dan ga je bijvoorbeeld kijken naar

[02:07:40] Nou, dan ga je bijvoorbeeld kijken naar de totale productie in een periode. Dat

[02:07:41] de totale productie in een periode. Dat kan een week zijn, dat kan een dag zijn,

[02:07:43] kan een week zijn, dat kan een dag zijn, dat kan een maand zijn. En die moet je

[02:07:45] dat kan een maand zijn. En die moet je dan delen door het aantal mensen wat

[02:07:47] dan delen door het aantal mensen wat daar werken. Nou, als er één persoon

[02:07:49] daar werken. Nou, als er één persoon werkt, dan is dat heel erg simpel, maar

[02:07:51] werkt, dan is dat heel erg simpel, maar als er 10 personen werken, dan is dat

[02:07:53] als er 10 personen werken, dan is dat wel lastiger. Dus als je

[02:07:54] wel lastiger. Dus als je arbeidsproductiviteit moet uitrekenen,

[02:07:56] arbeidsproductiviteit moet uitrekenen, altijd die twee door elkaar delen. Eh nu

[02:08:00] altijd die twee door elkaar delen. Eh nu is het natuurlijk zo, hoe kan de

[02:08:01] is het natuurlijk zo, hoe kan de arbeidsproductiviteit toenemen? Nou,

[02:08:03] arbeidsproductiviteit toenemen? Nou, sommige leerlingen zeggen dan: "O mensen

[02:08:05] sommige leerlingen zeggen dan: "O mensen aan te nemen eh die is fout." Helemaal

[02:08:08] aan te nemen eh die is fout." Helemaal niet namelijk. Want als je meer mensen

[02:08:10] niet namelijk. Want als je meer mensen gaat aannemen gaat het productie omhoog.

[02:08:12] gaat aannemen gaat het productie omhoog. Maar het aantal werkende gaat ook

[02:08:13] Maar het aantal werkende gaat ook omhoog. Dus stel even voor hè, het

[02:08:15] omhoog. Dus stel even voor hè, het gemiddelde is 100 producten per dag en

[02:08:18] gemiddelde is 100 producten per dag en je gaat iemand extra aannemen die ook

[02:08:19] je gaat iemand extra aannemen die ook 100 eh producten per dag maakt. Dan

[02:08:21] 100 eh producten per dag maakt. Dan gebeurt er met de arbeidsproductiviteit

[02:08:23] gebeurt er met de arbeidsproductiviteit helemaal niks. Als die ene persoon extra

[02:08:25] helemaal niks. Als die ene persoon extra net 101 producten maakt, ja, dan is dat

[02:08:28] net 101 producten maakt, ja, dan is dat natuurlijk wel mooi meegenomen. Ja.

[02:08:32] natuurlijk wel mooi meegenomen. Ja. Eh Pizzeria heeft vijf medewerkers die

[02:08:33] Eh Pizzeria heeft vijf medewerkers die eigenlijk zes dagen per week werken.

[02:08:35] eigenlijk zes dagen per week werken. Samen maken zij 1800 pizza's per week.

[02:08:37] Samen maken zij 1800 pizza's per week. Berekenen arbeidsproductiviteit per dag.

[02:08:40] Berekenen arbeidsproductiviteit per dag. Hier staat bij zes dagen, daar moet je

[02:08:43] Hier staat bij zes dagen, daar moet je wel rekening mee houden, en vijf

[02:08:44] wel rekening mee houden, en vijf medewerkers. Nou, eerst doe je die 1800

[02:08:47] medewerkers. Nou, eerst doe je die 1800 eh pizza's delen door 5. Iedere persoon

[02:08:50] eh pizza's delen door 5. Iedere persoon maakt dus 360 pizza's per week en

[02:08:53] maakt dus 360 pizza's per week en iedereen werkt 6 dagen per week. Dus 360

[02:08:56] iedereen werkt 6 dagen per week. Dus 360 / 6 is gemiddeld. Maakt iedereen 60

[02:08:59] / 6 is gemiddeld. Maakt iedereen 60 pizza's per dag. Heb je

[02:09:02] pizza's per dag. Heb je arbeidsproductiviteit uitgerekend. Het

[02:09:04] arbeidsproductiviteit uitgerekend. Het is een gemiddelde altijd. Dus het kan

[02:09:05] is een gemiddelde altijd. Dus het kan best zo zijn dat iemand eh 65 pizza's

[02:09:08] best zo zijn dat iemand eh 65 pizza's maakt. Dan maakt iemand anders 55

[02:09:09] maakt. Dan maakt iemand anders 55 pizza's. Dan kom je toch weer op die 60

[02:09:11] pizza's. Dan kom je toch weer op die 60 uit. Valutakoers zien we wel wat minder,

[02:09:15] uit. Valutakoers zien we wel wat minder, maar we gaan het wel even zeggen. Je

[02:09:16] maar we gaan het wel even zeggen. Je gaat de ene munt uitdrukken in andere

[02:09:19] gaat de ene munt uitdrukken in andere munt. Dus bijvoorbeeld de euro ten

[02:09:20] munt. Dus bijvoorbeeld de euro ten opzichte van de dollar. Ja. Nou, stel je

[02:09:23] opzichte van de dollar. Ja. Nou, stel je voor de wisselkoers van de euro ten

[02:09:25] voor de wisselkoers van de euro ten opzichte van de dollar is €1 is gelijk

[02:09:27] opzichte van de dollar is €1 is gelijk aan 0,9.

[02:09:29] aan 0,9. Nou, je hebt twee getallen en de derde

[02:09:31] Nou, je hebt twee getallen en de derde staat in de opgave. De verhoudingstabel

[02:09:33] staat in de opgave. De verhoudingstabel gaat er dan zo uitzien. Nou, €1 is

[02:09:36] gaat er dan zo uitzien. Nou, €1 is gelijk aan 0,9,

[02:09:39] gelijk aan 0,9, maar vanuit de opgave komt er nog een

[02:09:41] maar vanuit de opgave komt er nog een derde bij. Dus je gaat naar op reis naar

[02:09:45] derde bij. Dus je gaat naar op reis naar Amerika, je hebt €250 en wil deze

[02:09:47] Amerika, je hebt €250 en wil deze inruilen voor Amerikaanse dollars.

[02:09:49] inruilen voor Amerikaanse dollars. Hoeveel dollars krijg je? Nou, dan ga je

[02:09:51] Hoeveel dollars krijg je? Nou, dan ga je de verhoudingstabel invullen. €1 is

[02:09:55] de verhoudingstabel invullen. €1 is gelijk aan 0,9. Je hebt €250.

[02:09:59] gelijk aan 0,9. Je hebt €250. Dus je moet van die €1 naar die €250

[02:10:01] Dus je moet van die €1 naar die €250 toe. Nou, je snapt waarschijnlijk al dat

[02:10:04] toe. Nou, je snapt waarschijnlijk al dat wel een simpele stap is, want van die

[02:10:06] wel een simpele stap is, want van die naar die is keer 250. Dus dan moet je

[02:10:09] naar die is keer 250. Dus dan moet je die 0,9 ook keer 250 doen. Ja. Dus 250

[02:10:14] die 0,9 ook keer 250 doen. Ja. Dus 250 hier is 250 daar. Dus je ontvangt $225.

[02:10:20] hier is 250 daar. Dus je ontvangt $225. Tip van Flip: maak altijd die

[02:10:22] Tip van Flip: maak altijd die verhoudingstabel. Kan je beter zijn. Doe

[02:10:25] verhoudingstabel. Kan je beter zijn. Doe het op je klapblaadje. Maar dan weet je:

[02:10:26] het op je klapblaadje. Maar dan weet je: "Hey, ik heb het goed gedaan." Ook met

[02:10:28] "Hey, ik heb het goed gedaan." Ook met dat inkier van Exu BTW, doe het even ter

[02:10:31] dat inkier van Exu BTW, doe het even ter controle, want mensen laten hier onnodig

[02:10:33] controle, want mensen laten hier onnodig veel punten op liggen. Ehm je kan

[02:10:36] veel punten op liggen. Ehm je kan natuurlijk hier ook zeggen op vakantie

[02:10:38] natuurlijk hier ook zeggen op vakantie in Amerika vind je een envelop op de

[02:10:39] in Amerika vind je een envelop op de grond met $2500.

[02:10:42] grond met $2500. Je spendeert nog $500, maar die $2000

[02:10:45] Je spendeert nog $500, maar die $2000 neem je mee naar Nederland. De koers is

[02:10:47] neem je mee naar Nederland. De koers is nog hetzelfde. €1 is gelijk aan 0,9.

[02:10:50] nog hetzelfde. €1 is gelijk aan 0,9. Bereken hoeveel euro je terugkrijgt in

[02:10:52] Bereken hoeveel euro je terugkrijgt in Nederland voor de $2000. Gebruik bij de

[02:10:55] Nederland voor de $2000. Gebruik bij de verhoudingstabel met de drie bekende

[02:10:57] verhoudingstabel met de drie bekende getallen en de één onbekende. Nou, wat

[02:10:59] getallen en de één onbekende. Nou, wat zien we hier gebeuren? We hebben €1 is

[02:11:02] zien we hier gebeuren? We hebben €1 is gelijk aan 0,9. We hebben niet $0,9,

[02:11:06] gelijk aan 0,9. We hebben niet $0,9, maar we hebben $2000 die we willen gaan

[02:11:08] maar we hebben $2000 die we willen gaan inruilen voor euro's. Dus je zal moeten

[02:11:10] inruilen voor euro's. Dus je zal moeten kijken hoe groot is deze stap? Nou, dan

[02:11:13] kijken hoe groot is deze stap? Nou, dan moet je natuurlijk die $2000 delen door

[02:11:16] moet je natuurlijk die $2000 delen door die 0,9.

[02:11:18] die 0,9. Kom je op je rekenmachientje uit, dat is

[02:11:19] Kom je op je rekenmachientje uit, dat is keer 222,22.

[02:11:23] Nou, deze stap is dus keer 222,22.

[02:11:28] Nou, deze stap is dus keer 222,22. Dus dan moet je deze ook keer 2222,22

[02:11:32] Dus dan moet je deze ook keer 2222,22 doen. En dus is het antwoord €222,22ent.

[02:11:39] Dus daarom doe alsjeblieft jezelf een

[02:11:42] Dus daarom doe alsjeblieft jezelf een low. Schrijf dit gewoon zo op met een

[02:11:45] low. Schrijf dit gewoon zo op met een verhoudingstabel.

[02:11:47] verhoudingstabel. Importquote bereken je hoeveel procent

[02:11:49] Importquote bereken je hoeveel procent van alles dat er wordt verdiend wordt

[02:11:51] van alles dat er wordt verdiend wordt uitgegeven aan import. Import is wat wij

[02:11:54] uitgegeven aan import. Import is wat wij naar Nederland toe halen. Nou, dat is de

[02:11:56] naar Nederland toe halen. Nou, dat is de totale importwaarde

[02:11:59] totale importwaarde delen door een nationaal inkomen. Die

[02:12:01] delen door een nationaal inkomen. Die getallen worden gegeven, maar soms moet

[02:12:03] getallen worden gegeven, maar soms moet je zelf deze formule nog verzinnen. Hij

[02:12:05] je zelf deze formule nog verzinnen. Hij komt niet heel vaak voor. Maar wil niet

[02:12:07] komt niet heel vaak voor. Maar wil niet zeggen dat hij niet eh voorkomt.

[02:12:09] zeggen dat hij niet eh voorkomt. Nationaal inkomen is 900 miljard. De

[02:12:11] Nationaal inkomen is 900 miljard. De importwaarde is 550 miljard. Berekende

[02:12:14] importwaarde is 550 miljard. Berekende importquote moet hier natuurlijk staan.

[02:12:16] importquote moet hier natuurlijk staan. Nou, de importquote weten we

[02:12:18] Nou, de importquote weten we importwaarde is 550 delen door een

[02:12:21] importwaarde is 550 delen door een nationaal inkomen 900. Dus 550 delen

[02:12:25] nationaal inkomen 900. Dus 550 delen door 900 * 100% is 61,1%.

[02:12:31] Ja. En dit is allemaal leuk met allemaal

[02:12:33] Ja. En dit is allemaal leuk met allemaal die nullen. Maar de slimmers onder ons

[02:12:35] die nullen. Maar de slimmers onder ons die hadden al gezien dat je 550 ook mag

[02:12:37] die hadden al gezien dat je 550 ook mag delen 900 of 55 del 90 met nullen

[02:12:41] delen 900 of 55 del 90 met nullen wegstrepen. Als je dat niet kan, prima,

[02:12:43] wegstrepen. Als je dat niet kan, prima, dan voel je het helemaal in op je

[02:12:45] dan voel je het helemaal in op je rekenmachinentje.

[02:12:47] rekenmachinentje. Export quote is eigenlijk hetzelfde,

[02:12:49] Export quote is eigenlijk hetzelfde, want je gaat kijken naar de exportwaarde

[02:12:51] want je gaat kijken naar de exportwaarde en naar nationaal inkomen. Nou, zeggen

[02:12:53] en naar nationaal inkomen. Nou, zeggen we hier nationaal inkomen is 850

[02:12:55] we hier nationaal inkomen is 850 miljard, exportwaarde is 475 miljard.

[02:12:59] miljard, exportwaarde is 475 miljard. bereken export quotes in dit geval. Nou,

[02:13:01] bereken export quotes in dit geval. Nou, de export quote is 475

[02:13:04] de export quote is 475 / 850 * 100% is eh 55,9%.

[02:13:12] Niet super moeilijk. Zit er niet heel

[02:13:14] Niet super moeilijk. Zit er niet heel vaak in maar goed, je moet er maar op

[02:13:15] vaak in maar goed, je moet er maar op voorbereid zijn. Indexcijfers. Dat ga ik

[02:13:18] voorbereid zijn. Indexcijfers. Dat ga ik nu heel kort doen, maar ik snap dat het

[02:13:21] nu heel kort doen, maar ik snap dat het een lastig onderwerp is. Ik zal zoveel

[02:13:23] een lastig onderwerp is. Ik zal zoveel mogelijk filmpjes hier ook in de

[02:13:24] mogelijk filmpjes hier ook in de beschrijving zetten, dat je als je dat

[02:13:26] beschrijving zetten, dat je als je dat lastig vindt nog altijd wat extra kan

[02:13:28] lastig vindt nog altijd wat extra kan bekijken.

[02:13:30] bekijken. Berekenen van nieuwe indexcijfer. Nou,

[02:13:32] Berekenen van nieuwe indexcijfer. Nou, daar kunnen we verschillende dingen mee

[02:13:34] daar kunnen we verschillende dingen mee doen. Even kijken. Oh ja, nou

[02:13:35] doen. Even kijken. Oh ja, nou indexcijfer inderdaad. Je moet uitgaan

[02:13:38] indexcijfer inderdaad. Je moet uitgaan vanuit het basisjaar altijd beste

[02:13:40] vanuit het basisjaar altijd beste mensen. Ehm het het gaat stijgen van 5

[02:13:43] mensen. Ehm het het gaat stijgen van 5 naar €7 per uur. Nou, we hadden gezegd

[02:13:46] naar €7 per uur. Nou, we hadden gezegd bij een procentuele stijging of daling

[02:13:49] bij een procentuele stijging of daling doen we altijd nieuw min delen door oud.

[02:13:52] doen we altijd nieuw min delen door oud. Dus nieuwe is €7 per uur, oud is €5 per

[02:13:55] Dus nieuwe is €7 per uur, oud is €5 per uur. 7 - 5 / 5 is 40%.

[02:14:01] uur. 7 - 5 / 5 is 40%. Dus dat wil zeggen dat de stijging 40%

[02:14:04] Dus dat wil zeggen dat de stijging 40% is. Het basisjaar is altijd 100. Dus als

[02:14:07] is. Het basisjaar is altijd 100. Dus als er 40% bij komt wordt het niet 100% maar

[02:14:11] er 40% bij komt wordt het niet 100% maar 140%. Maar bij een indexcijfer laten we

[02:14:14] 140%. Maar bij een indexcijfer laten we het procenteken altijd weg. Dus een

[02:14:16] het procenteken altijd weg. Dus een nieuwe indexcijfer is dan 140.

[02:14:20] nieuwe indexcijfer is dan 140. Ja, voor de rest verwijs ik jullie even

[02:14:22] Ja, voor de rest verwijs ik jullie even door naar eerder dit filmpje waar ik

[02:14:25] door naar eerder dit filmpje waar ik indexcijfers vrij uitgebreid heb

[02:14:27] indexcijfers vrij uitgebreid heb uitgelegd. We gaan zo door naar het

[02:14:29] uitgelegd. We gaan zo door naar het laatste deel van dit filmpje. Pak heel

[02:14:31] laatste deel van dit filmpje. Pak heel even nog snel even wat te eten of te

[02:14:33] even nog snel even wat te eten of te drinken. Maak je aantekening af en dan

[02:14:35] drinken. Maak je aantekening af en dan zie ik je dadelijk bij het laatste deel

[02:14:37] zie ik je dadelijk bij het laatste deel van dit filmpje. Zo, als je er nu nog

[02:14:39] van dit filmpje. Zo, als je er nu nog bij bent, dan ben je echt wel een

[02:14:40] bij bent, dan ben je echt wel een diehard. Ik zelf ook een beetje, want ik

[02:14:42] diehard. Ik zelf ook een beetje, want ik heb dit zoals je hebt gezien in drie

[02:14:44] heb dit zoals je hebt gezien in drie verschillende dagen opgenomen. In elk

[02:14:46] verschillende dagen opgenomen. In elk geval goed dat je ze tot nu toe hebt

[02:14:48] geval goed dat je ze tot nu toe hebt uitgehouden. Ik hoop dat je er iets aan

[02:14:50] uitgehouden. Ik hoop dat je er iets aan hebt gehad. Als je er iets aan hebt

[02:14:51] hebt gehad. Als je er iets aan hebt gehad, laat het ook even weten in de

[02:14:53] gehad, laat het ook even weten in de comments natuurlijk. Je kan via de

[02:14:54] comments natuurlijk. Je kan via de zoekbank beneden precies zien wat je

[02:14:56] zoekbank beneden precies zien wat je wil. Kijk ook op de rest van het kanaal

[02:14:58] wil. Kijk ook op de rest van het kanaal natuurlijk wat daar nog staat. Laatste

[02:15:00] natuurlijk wat daar nog staat. Laatste tips voor het eindexamen. Rekenmachine

[02:15:03] tips voor het eindexamen. Rekenmachine en markeerstiften. Ieder jaar hebben we

[02:15:05] en markeerstiften. Ieder jaar hebben we er wel één of twee bij die wat zeker het

[02:15:06] er wel één of twee bij die wat zeker het rekenmachine vergeten. Dom dom. Niet

[02:15:09] rekenmachine vergeten. Dom dom. Niet doen. Nooit ze gebruiken. Maar altijd

[02:15:12] doen. Nooit ze gebruiken. Maar altijd verwijswoorden. Bijvoorbeeld niet zeggen

[02:15:14] verwijswoorden. Bijvoorbeeld niet zeggen ze verdienen al meer geld. Want dan gaan

[02:15:16] ze verdienen al meer geld. Want dan gaan we een cirkel omzetten. Gaan we zeggen

[02:15:17] we een cirkel omzetten. Gaan we zeggen ja wie is ze? Dan lees goed en markeer

[02:15:20] ja wie is ze? Dan lees goed en markeer belangrijke zinnen. Vaak is het zo dat

[02:15:22] belangrijke zinnen. Vaak is het zo dat je een hoop tekst krijgt maar waar je

[02:15:23] je een hoop tekst krijgt maar waar je maar een klein beetje nodig hebt.

[02:15:25] maar een klein beetje nodig hebt. Markeer dus. Gebruik de bron wanneer dat

[02:15:28] Markeer dus. Gebruik de bron wanneer dat gevraagd wordt en ga zelf geen dingen

[02:15:30] gevraagd wordt en ga zelf geen dingen verzinnen. Ja, dus vaak zeggen ze

[02:15:31] verzinnen. Ja, dus vaak zeggen ze gebruik bron 1 en 2. Dan gaan mensen een

[02:15:33] gebruik bron 1 en 2. Dan gaan mensen een beetje vanuit wat ze denken te weten dan

[02:15:35] beetje vanuit wat ze denken te weten dan redeneren. Heeft helemaal geen zin.

[02:15:38] redeneren. Heeft helemaal geen zin. Geeft altijd een antwoord. Zeker bij

[02:15:40] Geeft altijd een antwoord. Zeker bij meer keuzevragen. Gokken kan lonen, maar

[02:15:43] meer keuzevragen. Gokken kan lonen, maar schrijf gewoon je berekening op. Kijk

[02:15:44] schrijf gewoon je berekening op. Kijk hoever dat je komt. Maak iedere

[02:15:47] hoever dat je komt. Maak iedere berekening af met een conclusie. Dus je

[02:15:48] berekening af met een conclusie. Dus je kan inderdaad wel zeggen: "Nou, blab bla

[02:15:50] kan inderdaad wel zeggen: "Nou, blab bla bla bla. Dat is de hele rekensom." En eh

[02:15:53] bla bla. Dat is de hele rekensom." En eh er komt bijvoorbeeld + 4% uit. Zet dan

[02:15:56] er komt bijvoorbeeld + 4% uit. Zet dan even als conclusie. Dus de

[02:15:58] even als conclusie. Dus de werkleegenheid stijgt met 4% ofzo.

[02:16:01] werkleegenheid stijgt met 4% ofzo. Conclusie belangrijk. Geef altijd een

[02:16:03] Conclusie belangrijk. Geef altijd een toelichting wanneer daarom gevraagd

[02:16:04] toelichting wanneer daarom gevraagd wordt. Maar nooit teveel toelichtingen.

[02:16:06] wordt. Maar nooit teveel toelichtingen. Heel veel leerlingen denken ook als ik

[02:16:08] Heel veel leerlingen denken ook als ik maar meer op ga schrijven heb ik de kans

[02:16:09] maar meer op ga schrijven heb ik de kans groter dat het goed is. Dat klopt, maar

[02:16:11] groter dat het goed is. Dat klopt, maar er is ook een grotere kans dat het fout

[02:16:13] er is ook een grotere kans dat het fout is. Dus niet teveel. Ehm geef logische

[02:16:16] is. Dus niet teveel. Ehm geef logische antwoorden. Dus bijvoorbeeld als ze

[02:16:18] antwoorden. Dus bijvoorbeeld als ze zeggen bereken het jaar eh het loon van

[02:16:21] zeggen bereken het jaar eh het loon van deze persoon per jaar en je kom 500.000

[02:16:24] deze persoon per jaar en je kom 500.000 uit. Dan zou het zomaar ergens kunnen

[02:16:25] uit. Dan zou het zomaar ergens kunnen zijn dat je ergens een nulletje teeveel

[02:16:27] zijn dat je ergens een nulletje teeveel hebt getypt. Bereken het daarom altijd

[02:16:29] hebt getypt. Bereken het daarom altijd nog eens een keer even na. Bekijk altijd

[02:16:32] nog eens een keer even na. Bekijk altijd de de score punten. Meer punten is vaak

[02:16:35] de de score punten. Meer punten is vaak meer stappen. Als jij een twee of

[02:16:37] meer stappen. Als jij een twee of driepuntsvraag hebt, ga er maar vanuit

[02:16:39] driepuntsvraag hebt, ga er maar vanuit dat je dan ook twee of drie of vier

[02:16:40] dat je dan ook twee of drie of vier stappen moet maken. Dus denk dan niet:

[02:16:42] stappen moet maken. Dus denk dan niet: "Oh, één berekening zal het wel zijn."

[02:16:44] "Oh, één berekening zal het wel zijn." Dat is meestal niet zo. Blijf rustig. Je

[02:16:46] Dat is meestal niet zo. Blijf rustig. Je hebt 120 minuten, dus pak je tijd.

[02:16:49] hebt 120 minuten, dus pak je tijd. Gemiddeld genomen zijn de leerlingen

[02:16:51] Gemiddeld genomen zijn de leerlingen eigenlijk altijd tussen de 100 en de 110

[02:16:52] eigenlijk altijd tussen de 100 en de 110 minuten klaar. Dus dat wil zeggen dan

[02:16:54] minuten klaar. Dus dat wil zeggen dan heb je nog altijd tijd om rustig even na

[02:16:57] heb je nog altijd tijd om rustig even na te blijven zitten om even te kijken hé

[02:16:59] te blijven zitten om even te kijken hé heb ik alles goed ingevuld? Als je tijd

[02:17:01] heb ik alles goed ingevuld? Als je tijd over hebt schrijf je antwoorden op een

[02:17:03] over hebt schrijf je antwoorden op een klapplaatje en doe eh doe mee met de

[02:17:05] klapplaatje en doe eh doe mee met de examenbespreking op de avond van de

[02:17:06] examenbespreking op de avond van de examen meestal bij mij online. Nou eh ik

[02:17:09] examen meestal bij mij online. Nou eh ik doe altijd achteraf doe ik een korte

[02:17:11] doe altijd achteraf doe ik een korte examenbespreking. Dan kan je je vragen

[02:17:13] examenbespreking. Dan kan je je vragen natuurlijk ook stellen. Nou jongens, dit

[02:17:15] natuurlijk ook stellen. Nou jongens, dit was eh de langste video die ik ooit heb

[02:17:17] was eh de langste video die ik ooit heb gemaakt. Ik hoop dat je er iets aan hebt

[02:17:19] gemaakt. Ik hoop dat je er iets aan hebt gehad. Als je er iets aan hebt gehad,

[02:17:21] gehad. Als je er iets aan hebt gehad, deel hem dan even met je klasgenoten

[02:17:22] deel hem dan even met je klasgenoten alsjeblieft, want ik hoop dat ik jullie

[02:17:24] alsjeblieft, want ik hoop dat ik jullie allemaal op weg kan helpen naar een mooi

[02:17:27] allemaal op weg kan helpen naar een mooi resultaat bij het examen. Ik ga je heel

[02:17:29] resultaat bij het examen. Ik ga je heel veel succes wensen. Als je nog iets te

[02:17:31] veel succes wensen. Als je nog iets te vragen of te zeggen hebt, drop in de

[02:17:33] vragen of te zeggen hebt, drop in de comments en ik ga jullie heel snel zien

[02:17:34] comments en ik ga jullie heel snel zien bij de volgende filmpje. En misschien

[02:17:36] bij de volgende filmpje. En misschien ook wel niet, want als jij je eindexamen

[02:17:38] ook wel niet, want als jij je eindexamen hebt gehaald en je gaat door naar de

[02:17:39] hebt gehaald en je gaat door naar de vervolgopleiding, ga ik jullie misschien

[02:17:41] vervolgopleiding, ga ik jullie misschien niet zien. Vind ik het ook wel tof dat

[02:17:42] niet zien. Vind ik het ook wel tof dat ik jou heb kunnen helpen. Heel veel

[02:17:44] ik jou heb kunnen helpen. Heel veel succes met je examen en ik zeg zet hem

[02:17:46] succes met je examen en ik zeg zet hem op. Doei. Doei.
